Fullscreen
Loading...
 

Examenprogramma Zwemvaardigheidsdiploma Waterpolo 1, 2 en 3

Zwemvaardigheidsdiploma Waterpolo 1

Video
1
1.1 Vanuit het water, 15 meter waterpoloborstcrawl, aansluitend 15 meter waterpolorugcrawl, gevolgd door 5 meter waterpoloschoolslag en 15 meter zijwaarts verplaatsen.
1.2 Vanuit het water, 15 seconden ongelijkzijdig watertrappen op de plaats, aansluitend 10 seconden ongelijkzijdig watertrappen op de plaats met 1 arm omhoog, gevolgd door 5 seconden ongelijkzijdig watertrappen op de plaats met twee handen omhoog.
1.3 Vanuit het water, 15 meter waterpoloborstcrawl met bal.
1.4 In het water, 5 keer werpen (passen) van de bal, naar een medespeler, waarbij het werpen met één hand gebeurt en gericht wordt op de handen van de medespeler, die zich op 2 a 3 meter afstand eveneens in het water bevindt. De bal wordt opgepakt met de draaisteekmethode.
1.5 Op een afstand van 3 meter 3 x schieten op het doel, waarbij vanuit verschillende posities voor het doel (positie recht voor het doel, alsmede eenmaal links en eenmaal rechts voor het doel) geschoten wordt en waarbij de bal wordt opgepakt met de draaisteekmethode.
1.6 Het spelen van twee balspelen naar keuze in borstdiep water.

Zwemvaardigheidsdiploma Waterpolo 2

Video
2
2.1 Vanuit het water, starten, 5 meter (of ongeveer 8 zwemslagen) waterpoloborstcrawl, keren 5 meter waterpoloborstcrawl, keren 5 meter waterpolorugcrawl, keren 5 meter waterpoloborstcrawl, stoppen en zijwaarts verplaatsen naar links (of rechts), keren en zijwaarts verplaatsen naar rechts (of links).
2.2 Vanuit het water, 3 x omhoog springen.
2.3 Vanuit het water, starten met de bal voor het hoofd, 10 meter waterpoloborstcrawl met bal, keren met bal,10 meter waterpoloborstcrawl met bal, stoppen, de bal oppakken met methode naar keuze en de bal zo ver mogelijk werpen.
2.4 In het water, 5 keer werpen (passen) van de bal met een boogbal, naar een medespeler, waarbij werpen met één hand gebeurt en gericht wordt op de handen van de medespeler, die zich op 2 a 3 meter afstand eveneens in het water bevindt.
2.5 Op een afstand van 3 meter 4 x schieten op het doel, waarbij vanuit de posities recht voor het doel 1x in de linker bovenhoek, 1x in de rechter bovenhoek, 1x in de linker onderhoek en 1x in de rechter onderhoek geschoten wordt en waarbij de bal wordt opgepakt met de drukmethode.
2.6 Het spelen van twee balspelen naar keuze in borstdiep of diep water.

Zwemvaardigheidsdiploma Waterpolo 3

Video
3
3.1 Vanuit het water, met zijn tweeën starten, waarbij de een probeert vrij te zwemmen en de ander te volgen en waarbij de verschillende zwem-, start-, stop- en keertechnieken worden toegepast gedurende 30 seconden. Na 30 seconden wordt er gewisseld van positie.
3.2 Vanuit het water, 2 x opspringen zijwaarts naar links en aansluitend 2 x opspringen naar rechts.
3.3 Vanuit het water, starten met de bal, 5 meter waterpoloborstcrawl met bal, stoppen met bal, bal oppakken met methode naar keuze en bal passen naar medespeler die op 3 meter afstand ligt. Dit driemaal.
3.4 In het water, 5 keer werpen (passen) van de bal met een boogbal en 3 keer werpen (passen) van de bal achterwaarts, naar een medespeler, waarbij werpen met één hand gebeurt en gericht wordt op de handen van de medespeler, die zich op 2 a 3 meter afstand eveneens in het water bevindt.
3.5 Schieten op het doel, waarbij 1 speler op 8 meter vanaf het doel aankomt zwemmen met de bal. Tegelijkertijd start ter hoogte van het doel op 4 meter vanaf de linker- of rechterpaal een tegenspeler om het schieten te verhinderen.

Waterpolo vaardigheden 3 Eis 5
3.6 Het spelen van twee balspelen naar keuze in diep water.



Handleiding Zwemvaardigheidsdiploma Waterpolo 1, 2 en 3

Inleiding

In deze handleiding treft u informatie aan over de nieuwe Zwemvaardigheid diploma’s Waterpolo 1, 2 en 3. Wij zijn er, samen met verschillende deskundigen, in geslaagd om een aantrekkelijk en gevarieerd eisenpakket te ontwikkelen. Vanwege de nauwe relatie met het spel waterpolo is er voor dit Zwemvaardigheidsdiploma gekozen om het examenprogramma te laten aan sluiten op de vaardigheden die gebruikt worden tijdens het spel ‘Waterpolo’.


In deze handleiding treft u het volgende aan:

  • Achtergrond informatie over het spel waterpolo;
  • De examenprogramma’s per diploma;
  • Algemene bepalingen;
  • Technische toelichting;
  • Uitleg van de verschillende balspelen;
  • Normering per examenprogramma.


Niet alle onderdelen die uitgelegd worden in de technische toelichting komen terug in het examenprogramma. Sommige onderdelen achten wij te moeilijk voor kinderen onder de 10 jaar. Echter uit ervaring weten we dat de leeftijd van de kinderen die oefenen voor deze zwemvaardigheidsdiploma’s zeer uiteenloopt. We hebben deze extra informatie in de technische toelichting laten staan, zodat begeleiders naar eigen inzicht toch deze oefenstof buiten het examenprogramma om aan kunnen bieden.

De vaardigheden die gebruikt worden tijdens het spel Waterpolo, inclusief de toevoeging van het spelelement, vormen de basis van het examenprogramma. Om deze reden is ervoor gekozen om het Zwemvaardigheidsdiploma Balvaardigheid een nieuwe naam te geven: Zwemvaardigheidsdiploma Waterpolovaardigheden.

Achtergrondinformatie over het spel waterpolo
Waterpolo ontstond halverwege de 19e eeuw als de 'watervariant' van handbal of rugby. In 1869 werd de eerste partij gespeeld om het saaie zwemprogramma op te leuken. De eerste competitie werd in Schotland georganiseerd in 1886 en twee jaar later volgde Engeland. De regels waren toen anders dan de huidige regels.
In 1889 werd er in Leiden een balspel gespeeld en in 1898 organiseerde zwemvereniging het Y een demonstratiesport met de Engelse spelregels. De eerste Nederlandse competitieewedstrijd was in 1901. De spelregels van toen leken erg op die van het voetbal. Zo was er de buitenspelregel. Ook op tactisch gebeid waren er overeenkomsten.
De belangstelling voor waterpolo nam toe bij verenigingen en in 1904 startte een tweede klasse competitie. Een jaar later werd ook de eerste dameswaterpolowedstrijd georganiseerd.
Waterpolo is het eerste teamsport dat namens Nederland deelnam aan de Olympische Spelen. In 1908 werd een waterpoloteam afgevaardigd naar de Olympische spelen in Londen, maar na een verloren wedstrijd tegen de Belgen konden de spelers alweer naar huis. Precies honderd jaar later deden de dameswaterpoloërs, onder leiding van Robin van Galen, het vele malen beter. Ze werden Olympisch kampioen!

Waterpolo is een teambalsport die zwemmend wordt uitgeoefend. De bedoeling is om een bal zo vaak mogelijk in het doel van de tegenpartij te werpen. Elke geslaagde poging levert één 'doelpunt' op. Het team dat aan het eind van de wedstrijd de meeste doelpunten heeft gemaakt, wint.
Een team bestaat uit zes veldspelers en een keeper. Bij de jeugd kunnen teams uit minder spelers bestaan.

Bronnen:
Chris van Lint, Waterpolo een handboek voor trainer, coach en speler, de Vriesenborch, Haarlem , 1977,
Wikipedia

Algemene bepalingen


Afmetingen zwembad
Het speelveld tijdens het waterpolospel is bij de heren maximaal 20 meter breed en 30 meter lang. Bij de dames is dit maximaal 25 meter. De meeste oefeningen die in het examenprogramma zijn opgenomen kunnen worden geoefend in een veld van minimaal 15 bij 5 meter. Afhankelijk van het aantal kinderen dat deelneemt aan de lessen er is meer of minder ruimte nodig.

De waterdiepte varieert per examenprogramma. Vooral voor jonge kinderen is het constant moeten zwemmen of watertrappen om boven te blijven erg zwaar. Speel daarom de balspelen in borstdiep water voor diploma 1 en eventueel ook voor diploma 2. Mocht er geen borstdiep water zijn of de lengte van de kinderen erg verschillen dan kan mag er ook gebruik gemaakt worden van drijfmiddelen zoals: wetbelts, Swimsafe of soort gelijke producten. Let er op dat de armen vrij kunnen bewegen en dat het drijfmiddel het kind niet te veel hindert in zijn bewegingsvrijheid.

Bal
De onderdelen van het examenprogramma moeten worden uitgevoerd met een kinderwaterpolobal. Een kinderwaterpolobal is kleiner dan de uitvoering voor de volwassenen. Het voordeel van een (kinder)waterpolobal is dat deze ruw is en hierdoor een betere grip heeft. Voor de balspelen m.u.v. minipolo mogen andere (formaat) ballen gebruikt worden.

Doelen
De waterpolodoelen die gebruikt worden tijdens de heren en dames waterpolowedstrijden zijn 3 meter breed en 90 cm hoog. Deze doelen zijn te groot voor onze doelgroep. De doelen die gebruikt worden zijn minimaal 90 cm hoog en 120 cm breed.
Het is ook toegestaan om alternatieve doelen te gebruiken. Bijvoorbeeld doelen gemaakt door een afbakening op de wand of rand van het zwembad, een stapel plankjes of vuilnisbakken. Bij de balspelen mogen ook 1 of meerdere hoepels of banden gebruikt worden.

Technische toelichting


Bij waterpolo is het technisch niveau van de spelers van invloed op de kwaliteit van het team. Het niveau van een speler wordt bepaald door een combinatie van technische en tactische vaardigheden en zijn fysieke capaciteiten. Deze componenten komen terug in de eisen die geformuleerd zijn in het examenprogramma van dit zwemvaardigheidsdiploma.

Het beheersen van de technische vaardigheden is een middel op het spel te spelen. Dit in tegenstelling tot het wedstrijdzwemmen waarbij het beheersen van de zwemslagen een doel op zich zijn. De uitvoeringwijze van de (wedstrijd)zwemslagen is reglementair vastgelegd. Dit is bij het waterpolo niet het geval.
Tevens zijn tussen het waterpolo en het wedstrijdzwemmen verschillen in de uitvoering van de zwemslagen. Het bekendste voorbeeld is de uitvoering van de borstcrawl en de waterpolocrawl. Waarbij bij de laatst genoemde de techniek wordt uitgevoerd met het hoofd boven water.
Een kenmerk van de uitvoeringswijze van de zwemtechnieken in het waterpolo is de hoge en scheve positie van het lichaam in het water met het hoofd dat daar boven uitsteekt zodat de speler het hele veld kan over zien en een overzicht heeft van de spelsituatie.
Een ander kenmerk is dat een speler tijdens het spel in alle spelfasen zijn uitgangshouding aan neemt, om daarna op een juiste manier een bepaald technisch element of actie uit te voeren. Het komt vaak voor dat spelers niet instaat zijn een bepaalde beweging uit te voeren doordat zij de daarvoor juiste uitgangshouding niet hebben aangenomen.


De techniek


De techniek en technische voorbereiding worden onderverdeeld in:

  • De techniek zonder bal
  • De techniek met bal
  • De techniek van het schieten
  • De techniek van de keeper
  • Tactiek, systemen en tactische voorbereidingen


In het examenprogramma voor het zwemvaardigheidsdiploma Waterpolovaardigheden is de techniek van het keepen als mede tactiek, systemen en tactische voorbereidingen niet opgenomen. Deze technieken gaan verder dan de reikwijdte van de zwemvaardigheidsdiploma’s.

De techniek zonder bal
Waterpolo is een zeer dynamische sport. Het vraagt van de spelers tijdens het spel explosieve, snelle en gevarieerde reacties, die zowel met als zonder bal uitgevoerd moeten kunnen worden. Er bestaat een verschil ten aanzien van de motorische zwemvaardigheid tussen de techniek van het wedstrijdzwemmen en de techniek van het waterpolospelen. Bij het wedstrijdzwemmen is het beheersen van de zwemslagen een doel en bij waterpolo een middel. Dit betekent dat de vaardigheid zwemmen bij het waterpolo niet meer is dan een motorische basis om het spel te kunnen spelen (net zo als schaatsen dit is voor het spel ijshockey).
De technische uitvoering van de borstcrawl, rugcrawl, schoolslag en vlinderslag en de afstanden (100 meter, 200 meter, enz.) zijn voor het wedstrijdzwemmen vastgelegd in een reglement. Bij het waterpolo is sprake van een eigen manier van voortbewegen, die zich kenmerkt door een hoge en scheve positie van het lichaam in het water met het hoofd boven water om de speler instaat te stellen zich steeds een overzicht van de spelsituatie te vormen.

  • Voortbewegen
    • Waterpoloborstcrawl
      Karakteristiek voor het de waterpolocrawl is de schuine lichaamspositie, die zijn oorzaak vindt in de noodzaak voor de speler het hoofd in de nek te houden om voldoende overzicht over het spel te hebben. De armslag is kort, kent geen glijfase en de frequentie is hoog (i.v.m. wedstrijdborstcrawl).
    • Waterpoloschoolslag
      De armbewegingen zijn klein en worden met een hoge frequentie uitgevoerd. De beenbewegingen verlopen als een schoolslagbeenbeweging. De waterpoloschoolslag wordt veelvuldig gebruikt in situaties waarbij kleine veranderingen van positie plaats vinden en tevens als tussenfase bij het starten.
    • Waterpolorugcrawl
      Net als bij de waterpoloborstcrawl is het hoofd uit het water om overzicht te hebben over het speelveld. Hierdoor is de lichaamspositie schuiner dan bij de wedstrijdrugcrawl. De armbeweging is kort, hierdoor kan de frequentie omhoog en de arm inzet is ruim buiten de schouderlijn. De korte armslag maakt het de speler mogelijk zeer snel te reageren op een aangespeelde bal of op de tegenstander.
    • Het zijwaarts verplaatsen(beschreven voor rechterzijligging)
      Uitgangshouding: in de zijligging zijn de armen in gebogen toestand, in een hoek van ongeveer 90°; de rechterarm ligt voor de linkerarm en de benen zijn ingetrokken.
      Eerste fase: tijdens de stuwing van de benen wordt de linkerarm doorgehaald volgens de borstcrawltechniek; de rechterarm wordt nog verder naar voren gebracht.
      Tweede fase: op het moment dat de rechterarm helemaal voor is en de stuwing van de benen en linkerarm is uitgewerkt, wordt met de rechterarm een stuwbeweging gemaakt ( schoolslagarmdoorhaal). Tegelijkertijd zullen de benen worden ingetrokken en zal de linkerarm over het water naar voren worden gebracht.
      Derde fase: als de rechterarm de stuwing heeft beëindigd, wordt deze weer naar voren gebracht en zou er opnieuw kunnen worden begonnen.

  • Het ongelijkzijdig watertrappen
    Het watertrappen gebeurt in verschillende posities, namelijk in schuine en verticale positie. De schuine positie komt veel voor bij de verdediging. De keeper zal vooral veel verticaal watertrappen, of bij spelers die de baal van de bal blokkeren.
    • In de schuine positie (buikligging)
      Uitgangshouding: een van de bene is gebogen in de heup, de knie is naar buiten gebracht en gebogen, de tenen zijn opgetrokken( abductie en anteversie van de heup, flexie van de knie, exorotatie van het onderbeen en dorsaalflexie van de enkel). Het andere been is nagenoeg gestrekt.
      Eerste fase: de benen gaan nu van positie wisselen. Dit gaat gepaard met een stuwbeweging van het gebogen been. Om de stuwvlakken zo grootmogelijk te maken, houdt de speler de tenen gedurende de stuwfase opgetrokken. (dorsale flexie). De stuwbeweging is niet alleen een naar achter trappen, maar is ook cirkelvormig. Het andere been is in de contrafase als er gestuwd wordt. Dit been wordt dan ontspannen ingetrokken, waardoor het minder weerstand ondervindt.
    • In verticale positie
      Dezelfde uitvoering als in de schuine positie echter nu in verticale houding. Bij de verticale houding zal de stuwing van de voeten en onderbenen ervoor zorgen dat het lichaam uit het water komt.
    • De positie van de armen bij het ongelijkzijdig watertrappen
      De positie van de armen kan verschillend zijn, namelijk;
      • Twee armen in het water
      • Een arm in het water
      • Geen armen in het water

  • Het lopen
    Lopen is zich in het water verplaatsen over een bepaalde afstand, waarbij een hand voortdurend boven water is zodat de bal kan worden gevangen. Er bestaan hiervoor twee technieken, waarvan het gebruik afhankelijk is van de lengte van de verplaatsing.
    • Over een korte afstand 1 a 2 meter
      Uitgangshouding en verloop: verticaler dan bij het over grote afstand verplaatsen. Met de benen wordt de watertraptechniek toegepast. De rechterarm is boven water in midden positie om de bal op te vangen; de linkerarm is naast het lichaam met de handpalm naar beneden en maakt een cirkelvormige beweging. Het lichaam komt iets uit het water.
    • Over een lange afstand 3 a 4 meter
      Uitgangshouding: het lichaam bevindt zich in schuin-zijwaartse positie: de linkerarm is voor en de rechterarm is gebogen en uit het water nabij de schouder (midden-positie). Dit geldt voor de rechtshandige speler.
      Eerste fase: de schoolslag-beenslag; de linkerarm gaat vooruit.
      Tweede fase: de linkerarm maakt een stuwbeweging met onderarm en hand (een korte schoolslag-armslag voor het hoofd; op dit moment worden de benen ingetrokken.

  • Het starten
    Bij het starten zijn twee doelen van belang, namelijk een zo groot mogelijke afstand overbruggen en zo snel mogelijk deze afstand overbruggen.
    Er kan in vele richtingen en vanuit verschillende posities worden gestart.
    • Het vooruit starten
      Het vooruit starten kan vanuit 2 verschillende posities, namelijk de schuine en de verticale positie.
      • Start vanuit de schuine positie
        Uitgangshouding: de armen gebogen voor het lichaam, ellebogen ongeveer 90° gebogen. De benen zijn ingetrokken.
        Eerste fase: de start begint met een zeer explosieve schoolbeenslag die wordt ondersteund doordat de speler met een arm doorhaalt volgens de borstcrawl techniek.
        Tweede fase: direct na de schoolbeenslag volgt de borstcrawlbeenslag. Als de ondersteunende arm uit de eerste fase wordt overgehaald, gaat de andere over tot stuwing door middel van de borstcrawldoorhaal.
        Derde fase: nu wordt gezwommen volgens de waterpoloborstcrawl.
      • Vanuit de verticale positie
        Bij het starten vanuit de verticale positie worden twee schoolslag-beenbewegingen gemaakt; de eerste is klein, de tweede is explosief en groter.
        Uitgangshouding: de armen gebogen voor het lichaam, ellebogen ongeveer 90o gebogen, benen zijn ingetrokken. De hoek ten opzichte van het water is veel groter dan bij de schuine positie.
        Eerste fase: er wordt een korte schoolslagbeweging gemaakt, zowel met de armen als met de benen. Het gevolg van deze actie is dat het lichaam in de schuine positie komt. Het vervolg van de start is gelijk aan die uit schuine positie.

    • Het achteruit starten
      Ook bij het achteruit starten zijn twee posities mogelijk, namelijk de schuine en de verticale positie.
      • Vanuit de schuine positie
        Uitgangshouding: schuine rugligging, met de kin op de borst; de benen zijn zowel in de heupen als in de knieën licht gebogen. De handpalmen wijzen naar de bodemen maken stuwbewegingen.
        Eerste fase: de benen worden ingetrokken.
        Tweede fase: nadat de benen zijn ingetrokken wordt de actie vervolgd met een explosieve schoolbeenslag (enkelvoudige rugslag).
        Vervolgens een drievoudige actie: een arm wordt volgens de waterpolorugcrawl techniek doorgehaald, de andere arm wordt vervolgens dezelfde techniek overgehaald en de heupen worden omhoog gebracht.
      • Vanuit de verticale positie
        Ook bij de start van uit de verticale positie is het de bedoeling in schuine positie te komen.
        Uitgangshouding: de armen gebogen voor het lichaam, ellebogen ongeveer 90° gebogen, benen half ingetrokken.
        Met de armen wordt een stuwbeweging naar voren gemaakt, waardoor het lichaam achterover gaat, en de benen worden ingetrokken zodat de draaisnelheid wordt vergroot. De gewenste schuine positie is bereikt; de start volgt.

    • Het starten naar links of naar rechts
      Bij het starten naar links of naar rechts wordt de techniek van het zijwaarts verplaatsen gebruikt, waarbij echter direct na de doorhaal in de eerste fase een overhaal volgt en niet een naar voren bewegen onder water.

  • Het wisselen van richting
    Tijdens het waterpolospel zullen spelers veelvuldig van richting veranderen. Het wisselen van richting is niet een op zichzelf staande techniek maar een combinatie van verschillende technieken, bijvoorbeeld zwemmen – stoppen – zijwaarts starten – zwemmen.
    • De techniek tijdens het borstcrawl zwemmen
      De speler zwemt borstcrawl. Op het moment dat het van richting wil veranderen, brengt het zijn benen naar voren en naar de zijde waar het niet heen wil. Daarmee wordt de positie van de zijwaartse start verkregen. De zijwaartse start wordt uitgevoerd. Deze afzonderlijke technieken moeten een vloeiend geheel worden voor een optimaal resultaat.
      Wanneer van richting wordt veranderd, wordt dit gedaan met een duidelijke hoek op de oorspronkelijke bewegingsrichting en niet met een flauwe bocht. Een flauwe bocht is goed te volgen voor de tegenspelers.
    • De techniek tijdens het rugcrawlzwemmen
      Voor de rugcrawl geldt hetzelfde. De benen worden na het stoppen in de positie gebracht voor de start, waarna deze volgt en vervolgens rugcrawl verder wordt gezwommen.

  • Het veranderen van lichaamspositie
    In het spel wordt gebruik gemaakt van verschillende technieken, die echter niet alle dezelfde uitgangshouding vereisen (bijvoorbeeld van borst- naar rugcrawl).
    Het op de plaats veranderen van positie komt tot stand door het draaien van de romp (torsie). De armen en schouders volgen deze torsie actief door stuwbewegingen dichtbij het lichaam.
    Het in beweging veranderen van positie gebeurt door torsie, maar nu met ondersteuning door de doorhaal en overhaal van de arm. Deze bewegingen zijn vaak nodig bij het aannemen van de bal van de keeper.

  • Het stoppen
    Is bij het starten snel accelereren belangrijk, bij het stoppen geldt precies het omgekeerde, namelijk over een kleine afstand in een korte tijd stoppen. Dit is bijvoorbeeld in de volgende situatie van belang. Een speler zwemt in de richting van het doel en hij is in staat om snel te stoppen, hij creëert hiermee ruimte voor het doel om te kunnen schieten.

    • De techniek van het stoppen tijdens de waterpoloborstcrawl
      Bij het stoppen vanuit de waterpoloborstcrawl moeten de benen snel van achteren naar voren en naar opzij van het lichaam worden gebracht.
      Een hand maakt een stuwbeweging die tegengesteld is aan de oorspronkelijke zwemrichting. Deze beweging van hand, polsgewrichten onderarm is geen grote maar een korte draai.
      Na deze handelingen is de speler in de algemene uitgangshouding gekomen.

    • De techniek van het stoppen tijdens de waterpolorugcrawl
      Bij het stoppen vanuit de waterpolorugcrawl moeten de benen snel worden opgetrokken; het hoofd en het bovenlichaam gaan iets naar voren en de hand ondersteunt dit geheel weer met een contrabeweging ten opzichte van de oorspronkelijke richting.

  • Het springen
    Tijdens het waterpolospel komen er verschillende situaties voor waarin een keeper of een speler gebruik moet maken van de techniek van het springen, in het bijzonder bij het onderscheppen en het pakken van de bal vanuit en in alle richtingen. Bij het schieten komt het springen ook voor, namelijk daar waar het nodig is om boven het blok uit te komen.
    Het springen van uit het water moet worden geleerd vanuit verschillende posities en vanuit verschillende richtingen; omhoog, opzij (links en rechts), naar voren, naar achteren.
    De armbeweging kan of met de linker- of met de rechterarm of met beide armen uitgevoerd worden. De beenbeweging is bij alle richtingen gelijk, namelijk de schoolslag beenslag, echter wel iets aangepast aan de richting waarin moet worden gesprongen. Om in een hoge positie te blijven, begint de speler direct na de schoolbeenslag met watertrappen.

    • Omhoog springen
      Uitgangshouding: romp voorover gebogen; benen in de schoolslaghouding, zo ver mogelijk in de kniegewrichten en onder de buik gebracht, zodat het onderbeen (dat als stuwvlak fungeert) loodrecht op de stuwrichting komt te staan.
      Eerste fase: de sprong wordt ingezet met een felle neerwaartse beweging van de armen, gevolgd door een schoolbeenslag. De romp en het hoofd worden omhoog bewogen.
      Tweede fase: een arm wordt langs het lichaam omhoog gebracht.
      De uit het water geven arm wordt in de richting van de bal bewogen. De bal kan dan worden gepakt of onderschept.

    • Het opspringen zijwaarts naar links of rechts
      Uitgangshouding: zie bij het omhoog springen.
      Eerste fase: het begin verloopt als bij het omhoog springen. Het hoofd en de romp worden nu in de gewenste bewegingsrichting bewogen. Indien de beweging naar links is gericht, dan met de rechterarm stuwen en andersom.
      Tweede fase: de hand wordt langs het lichaam uit het water gehaalden gaat de bal weer tegemoet.

    • Het naar voren springen
      De richting waarin in wordt gesprongen, is zeer aan de situatie gebonden maar meestal toch 30° a 40° ten opzichte van de oorspronkelijke bewegingsrichting.
      Uitgangshouding en verloop zijn zoals eerder beschreven. Echter, op het moment dat een arm naar voren wordt gebracht om de bal te pakken, gaat de andere hand/arm een borstcrawl doorhaal maken.

    • Het naar achteren springen
      De richting is 40° tot 50° achterwaarts.
      De uitgangshouding is de verticale positie. De benen zijn iets voor het lichaam ingetrokken in de schoolslaghouding. De armen liggen voor in het water.
      De eerste fase: deze wordt ingezet met een felle armbeweging in het water (cirkelvorming). Het hoofd gaat naar achteren, de rug wordt hol getrokken. De beenslag wordt zeer explosief uitgevoerd.
      De tweede fase: een van de armen wordt bewogen in de richting van de bal, de andere ondersteunt weer.


  • Het keren
    • Van borstcrawl naar borstcrawl
      De benen worden ingetrokken; wie klein is draait sneller. Met een boogje worden de benen naar voren gebracht. Het hoofd gaat in de nek en de romp gaat achterover. Bij een draai naar links zal de linkerarm de beweging ondersteunen, bij de draai naar echts zal de rechterarm dit doen. De armbeweging wordt vlakbij de romp uitgevoerd; daar heeft hij het meest effect. De andere arm volgt de draaibeweging net in of net boven water, tot de uitgangshouding voor het zijwaarts starten is bereikt.
      Daarna wordt dit zijwaarts starten uitgevoerd, de speler zwemt verder met de borstcrawl.

    • Van borstcrawl naar rugcrawl
      De benen worden ingetrokken en onder het lichaam door naar voren gebracht, waarna het hoofd naar achteren wordt gegooid. De armen ondersteunen de draai achterover tot de uitgangshouding voor de achterwaartse start is bereikt, waarmee dan ook wordt verder gezwommen.

    • Van rugcrawl naar borstcrawl
      De benen worden onder het lichaam getrokken; het hoofd gaat daarna naar voren, waarbij het bovenlichaam volgt.
      De arm die bezig is met de rugcrawl doorhaal, wordt er niet uitgehaald de beweging gaat over in de borstcrawl doorhaal, waarna de uitgangshouding voor het starten voorwaarts of zijwaarts is verkregen. Een van beide technieken kan dan worden toegepast.

    • Het zijwaarts keren
      De techniek van het zijwaarts keren moet veelvuldig gebruikt worden in situaties met een man minder en in de zoneverdediging als de speler zich wil verplaatsen tussen twee andere spelers.

      Het zijwaarts verplaatsen naar links of rechts dient als uitgangstechniek. De overgang tussen deze technieken is het moment van keren. Na het zijwaarts verplaatsen, bijvoorbeeld naar rechts, worden de opgetrokken benen onder het lichaam door bewogen naar rechts.

De linkerarm ondersteunt deze richtingsverandering met een stuwbeweging vlak bij het lichaam voor de borst langs, waarna de armen in de positie voor het zijwaarts verplaatsen naar links worden gebracht.

De techniek met bal

Bij de techniek met bal wordt automatisch de techniek zonder bal geoefend, want de techniek zonder bal is hiervoor de basis. Er zijn bij de techniek zonder bal ruwweg twee technieken te onderscheiden, namelijk

  • Techniek met bal op de plaats;
  • Techniek met bal in beweging.

Tijdens het waterpolospel zullen deze twee technieken naadloos in elkaar overvloeien. Bij het aanleren van de techniek is het verstandig eerst de techniek op de plaats te oefenen en vervolgens toe te passen in de meest ideale situatie in beweging. Naarmate een speler beter wordt zal de situatie waarin de techniek zal worden toegepast ook complexer (moeilijker) worden.

Bij het aanleren en perfectioneren van de techniek met bal zijn een aantal punten van belang;

  1. De uitgangshouding bij de uitvoering van een bepaalde techniek, vb schuin, verticaal of horizontaal.
  2. De speler moet zich realiseren naar welk punt hij de bal zal gooien. Dit punt wordt het mikpunt genoemd. Het mikpunt ligt niet altijd op dezelfde plaats, maar is afhankelijk van twee factoren;
    a. De positie van de medespeler: op de plaats of bewegend;
    b. De positie van de tegenstander in het veld ten opzichte van de medespeler.
  3. De baan en de snelheid van de bal hangen steeds af van de afstand tussen aangever (is degene die de bal gooit) en ontvanger (is degene die de bal vangt) en van de positie van de tegenstander.


Het mikpunt

  • Is afhankelijk van de snelheid waarmee de medespeler zich voortbeweegt
    Situatie 1, medespeler ligt op de plaats
    Als een medespeler op de plaats ligt en niet wordt gedekt, ligt het mikpunt op ongeveer 30 cm boven het hoofd of boven de schouder van de arm waarmee de bal wordt opgevangen.
    Situatie 2, medespeler zwemt langzaam
    Wanneer de medespeler beweegt of zwemt, ligt het mikpunt op een plaats in het water voor hem in zijn bewegingsrichting. Afhankelijk van de snelheid en de afstand is de plaats van het mikpunt 1 tot 4 meter voor hem; dat wil zeggen het mikpunt moet zo gekozen zijn dat het moment waarop de bal wordt ontvangen hij ongeveer 1,5 meter voor de medespeler ligt.
    Situatie 3, medespeler zwemt snel
    Bij hoge snelheid zal het mikpunt op het moment dat de bal de aangever verlaat verder voor de ontvanger liggen dan wanneer de ontvanger langzamer zwemt.

  • Is afhankelijk van de afstand die de bal moet overbruggen
    Situatie 1, medespeler ligt ver weg
    De tijd die de bal nodig heeft om te worden verplaatst is over een grotere afstand groter. In die tijd kunnen extra meters gezwommen worden, dus het mik punt ligt verder voor de medespeler dan wanneer de medespeler dichterbij zou liggen.

  • Is afhankelijk van de positie van de tegenstander
    Indien de tegenstander dichtbij de medespeler is, wordt het mikpunt altijd zo gekozen dat op het moment waarop de bal wordt ontvangen, de aanvaller tussen de bal en de tegenstander ligt. Hij schermt met zijn lichaam de bal af.


De baan van de bal
De baan van de bal is afhankelijk van de afstand die overbrugd moet worden en de positie van de tegenstanders.

  • Korte afstand; ongeveer 1 tot 3 meter.
    De bal wordt in de hand doorgegeven met een boogje met weinig kracht. De aangever moet de ontvanger namelijk de tijd geven om te kunnen reageren.
  • Midden afstand; ongeveer 3 tot 6 meter.
    De bal wordt doorgegeven met veel kracht (strakke bal). De baan van de bal is bijna horizontaal als er geen tegenstander tussen ligt.
  • Lange afstand; ongeveer 6 tot 25 meter.
    De bal wordt over deze grote afstand met een boog verplaatst. Als de afstand groter wordt, wordt de boog hoger.



De techniek met de bal op de plaats

Er zijn drie onderdelen te onderscheiden;

  • Het oppakken van de bal
  • Het werpen
  • Het vangen

Het oppakken van de bal

Er worden een aantal methoden onderscheiden om de bal op te pakken;

  • De draaisteekmethode
  • De drukmethode

  • De draaisteekmethode
    Uitgangshouding: als uitgangshouding geldt de schuine positie; als de speler de bal oppakt met de rechterhand, draait hij na het oppakken het lichaam naar links, en andersom. De bal ligt ongeveer 50 cm voor het hoofd op het water.
    Eerste fase: de bal wordt met de vingertoppen aan de bovenkant beetgepakt. Zonder het contact met de bal te verliezen, wordt de hand snel naar buiten gedraaid (suppinatie). De handpalm komt hierdoor onder de bal, zonder dat de bal onder water is geduwd.
    De tweede fase: vervolgens wordt de hand, met de bal nog steeds in de vingertoppen, omhoog en opzij gebracht. De intensiteit hiervan verschilt, afhankelijk van de plaats van de bal tussen de vingers. Er ontstaat geen contact met de handpalm tijdens dit omhoog brengen vasthouden in de uitgangshouding voor het werpen.
    De derde fase: de opgeheven bal wordt met een lichaamsdraai (een draai om de longitudinale as) naar achteren gebracht. Als deze beweging voltooid is, is de uitgangshouding voor het werpen bereikt. De duim van de werparm wijst naar het hoofd; de tegengestelde arm en schouder zijn naar voren (ingedraaid).

  • De drukmethode
    Uitgangshouding: deze is hetzelfde als bij de steekmethode.
    De eerste fase: de bal wordt met de vingertoppen aan de bovenkant beetgepakt. Tegelijk met het plaatsen van de vingers gaan we op de bal drukken. De bal geeft tegendruk en kan met de vingertoppen uit het water worden gelicht.
    De tweede fase: de bal wordt omhoog en opzij gebracht.
    De derde fase: deze verloopt hetzelfde als bij de steekmethode.


Het werpen

Er worden bij het werpen verschillende technieken onderscheiden, namelijk;

  • Schieten of pass
  • De boogbal
  • Achterwaarts
  • Het intikken
  • De slingerbal
  • De drukbal

  • Schieten of pass
    De term schieten wordt gebruikt voor het schieten (op doel) en pass wanneer je aan het overspelen bent.
    De uitgangshouding is de schuine positie in het water, waarbij de werparm met de schouder naar achteren is gedraaid (torsie van de romp). De arm maakt met de romp een hoek van ongeveer 90o. de bal wordt met de vingertoppen vastgehouden. De niet-werparm- zijde is naar voren gericht; de niet-werparm ondersteunt de houding door middel van een stuwbeweging in het water voor het hoofd (handpalm naar beneden, cirkelvormige baan).
    De eerste fase: de werpbeweging wordt ingezet met het afwikkelen van de torsie. Hierdoor gaat de ene schouder actief naar voren, de andere actief naar achteren.
    De tweede fase: de werparm volgt nu de schouder en gaat ook in de richting van de worp. De arm wordt maximaal gestrekt.
    De derde fase: de pols en de vingertoppen geven de laatste impuls aan de bal en bepalen de richting op het juiste moment.
    Het is mogelijk met deze techniek nog op het laatste moment de richting van de worp te bepalen of te veranderen. Door het lange contact met de bal zal de speler de worp met grote kracht en precisie kunnen uitvoeren.

  • De boogbal
    Uitgangshouding: iets minder schuin dan bij de steekworp, verder gelijk.
    De eerste fase: zie schieten.
    De tweede fase: arm en schouder worden geblokkeerd. De pols klapt hierbij achterover, zodat de bal met de vingers in de gewenste ban kan worden geworpen. Tijdens dit blokkeren maakt de speler een kleine sprong omhoog.

  • Achterwaarts
    De uitgangshouding: dit is de schuine of verticale houding met de rug in de werprichting. De werparm is gebogen met een hoek van ongeveer 90°. De werparm is met de schouder naar voren gericht, de andere zijde naar achteren (torsie). De niet-werparm ondersteunt de houding dicht bij het lichaam met de handpalm naar beneden.
    De eerste fase: de bal wordt met gebogen arm opgepakt aan de bovenzijde. Hierna draait de speler de duim naar onderen en de handpalm in de werprichting (palmaire flexie).
    De tweede fase: de worp wordt ingezet door middel van het afwikkelen van de torsie. Werparm en werpschouder gaan hierdoor naar achteren. De werparm blijft deze beweging volgen in gebogen positie. Het hoofd volgt de beweging ook.
    De derde fase: de arm wordt snel gestrekt in achterwaartse richting. De pols geeft hierbij ook nog een naklappende beweging. Dit is mogelijk doordat na het oppakken de pols weer geleidelijk wordt gestrekt. Ook de vingers zijn weer actief betrokken bij de eindfase.

  • Het intikken
    De uitgangshouding: dit is schuin of verticaal. De schouder van de werparm ligt in de richting van de aangespeelde bal.
    De eerste fase: in de eerste fase gaat de speler de bal met een sprong tegemoet.
    De tweede fase: op het moment dat de bal wordt aangenomen, wordt deze direct doorgespeeld met een gestrekte arm, door middel van een pols- en vingeractie.

  • Het zijwaarts intikken
    De uitgangshouding: dit is schuin of verticaal. De schouder van de werparm ligt in de richting van de aangespeelde bal.
    De eerste fase: tijdens de eerste fase wordt met een kleine sprong de arm in de richting van de bal bewogen; de bal wordt tegemoet getreden.
    De tweede en derde fase; deze verlopen zoals bij de achterwaartse worp.

  • De slingerbal
    De werprichting kan variëren van vooruit tot achteruit (gespreid over een halve cirkel).
    Uitgangshouding: schuine of meer verticale positie. De bal bevindt zich naast de speler; met een bijna gestrekte arm pakt deze de bal aan de bovenkant en draait hem zodanig dat de duim bovenaankomt.
    Eerste fase: de worp wordt ingezet via de torsie van de romp; deze is afhankelijk van de richting waarin wordt geworpen.
    Tweede fase: de arm blijft korte tijd achter de schouder en komt met een slinger naar voren. Pols en vingers geven weer een actie. De vingers bepalen de richting van de worp.

  • De drukbal
    Uitgangshouding: de uitgangshouding is als bij het springen naar voren. De benen zijn in de schoolslaghouding opgetrokken. De arm zonder bal ondersteunt deze houding (handpalm naar beneden).
    Eerste fase: de bal wordt met de vingertoppen en gebogen arm dichtbij het hoofd uit het water genomen, door middel van de drukmethode. Hierna brengt de speler de bal voor de schouder. De duim wijst naar beneden.
    Tweede fase: met een felle schoolslag beenslag en een ondersteunende armbeweging springt de speler naar voren.

Derde fase: direct daarop strekt hij de werparm. De pols en de vingers geven de laatste impuls en bepalen de richting.

Het vangen

Voor het vangen zijn er een aantal technieken. Welke techniek in een bepaalde situatie wordt toegepast hangt nauw samen met de richting van waaruit de bal wordt aangespeeld. Deze richtingen kunnen zijn:

  • Van de linkerzijde
  • Van de rechterzijde / van de voorkant
  • Van boven
  • Te kort aangespeeld

Bij de bespreking van de techniek is uitgegaan van een rechtshandige speler. De techniek van de linkshandige speler verloopt in tegengestelde beweging.
Er zijn twee belangrijke punten die gelden voor het vangen in het algemeen.

  1. De speler, die de bal gaat vangen moet altijd met zijn arm en hand naar de bal toegaan. Hij moet niet wachten tot de bal komt, maar hem als het ware halen. Hierdoor kan de speler meer ballen vangen, ook de minder goed geplaatste.
  2. De speler moet de snelheid opvangen die de aangespeelde bal heeft; hij moet zorgen voor een temmend effect.

  • Het vangen van de van links aangespeelde bal
    Uitgangshouding: is de schuine of verticale positie. Het bovenlichaam is gedraaid naar de richting waar de bal vandaan komt, met de arm gebogen voor het hoofd. De benen zullen watertrappen. De linkerarm is voor de borst en maakt daar een cirkelvormige stuwbeweging met de handpalm naar beneden, anders remmen hand en arm bij het vangen de afwikkeling van de torsie met als gevolg dat de bal door vliegt.
    Eerste fase: arm en hand gaan naar de bal toe; vingers en hand zullen de bal afremmen.
    Tweede fase: wanneer de vingertoppen contact hebben met de bal, gaat de onderarm mee met de beweging van de bal, voor het hoofd langs en licht gefixeerd. De speler zet de torsie voort tot de uitgangshouding voor het werpen.
    Bij het vangen op deze manier zien we vaak dat de bal doorvliegt. Dit komt doordat de speler zijn arm te snel in de werphouding wil brengen en niet wacht tot de torsie is opgewekt. De het snelle bewegen ontstaat een centrifugaal gerichte kracht, die de bal wegwerpt.
    De hand blijft steeds achter de bal en nooit onder de bal. De elleboog blijft op schouderniveau; hij gaat niet door het water.

  • Het vangen van rechts of van voren aangespeelde bal
    Uitgangshouding: is de schuine positie. De linkerarm (gebogen, cirkelvormige beweging met de handpalm) ondersteunt de houding die de speler heeft: de benen zijn in gebogen en opgetrokken positie vlak onder het wateroppervlak; de rechterarm is gebogen ter hoogte van het hoofd.
    Hierdoor kan de speler nog snel naar allerlei posities bewegen. De rechterschouder wijst iets naar voren en het hoofd is in de richting van de aangespeelde bal gedraaid.
    Eerste fase: op het moment dat de baan van de bal bekend is, gaat de speler zich met de hand en schouder in de richting van de bal bewegen. Wanneer er contact is met de bal, zal eerst het remmend effect van de vingers optreden.
    Tweede fase: wanneer de speler in het bezit is van de bal, beweegt hij zijn arm tot de schouderlijn naar achteren. Hier blijft de arm met de bal. Daarna wekt hij een torsie op in de wervelkolom zodanig dat de linkerschouder naar voren komt. Zo ontstaat de uitgangshouding voor het werpen.
    De bewegingen zoals boven omschreven in fasen vormen een vloeiend geheel. De handhouding in deze fasen is als volgt: de hand blijft voortdurend achter de bal en gaat niet onder de bal. Hierdoor vliegt de bal er niet af en kan de speler zich steeds gereed houden om te werpen. De elleboog blijft op schouderniveau, dat wil zeggen boven water.

  • Het vangen van de hoog aangespeelde bal
    Uitgangshouding: deze is hetzelfde als bij het springen.
    Eerste fase: het springen, waarbij de hand in de richting van de bal wijst.
    Tweede fase: wanneer de bal met de vingertoppen wordt geremd, gaat de arm buigen. Dit gebeurt langzaam. Op hetzelfde moment zal het lichaam zich weer naar beneden bewegen. Dit moet ook langzaam gebeuren, dus al watertrappend en met de linkerhand ondersteunend. Hierdoor zal een optimale remming van de bal ontstaan.
    Derde fase: wanneer de speler weer met de schouders bij het water komt, wordt het lichaam ingedraaid (torsie) en is de uitgangshouding voor het schieten ontstaan.

  • Het vangen van te kort aangespeelde ballen
    Uitgangshouding: deze is geheel gelijk aan die bij het vangen van de bal van links of van rechts. Het verschil is echter dat de speler de bal vangt met de hand, waarvan de palm naar boven gekeerd is.
    Afhankelijk van de plaats van de bal zullen we alleen met de arm bewegen (onder de bal) of ook nog met het hele lichaam. Wanneer de bal is gevangen, wordt deze in de uitgangspositie voor het werpen gebracht door middel van de steek- of de draaisteekmethode.


Techniek met de bal in beweging

De technieken die in beweging worden uitgevoerd zijn in vele gevallen gelijk aan die op de plaats. Het verschil is dat vanuit de beweging de uitgangspositie ingenomen moet worden.

Het starten
De basis van de start met bal is die zonder bal. De speler moet deze vaardigheid goed bezitten, met name wat betreft richting en positie. Het is de bedoeling dat de bal wordt opgepakt en daarna in de gekozen richting waarin gestart wordt, voor het hoofd wordt geplaatst op een afstand van twee tot drie meter. Na het starten wordt er borstcrawl verder gezwommen. De bal wordt tijdens de wedstrijd zo geplaatst dat de tegenstander er niet bij kan. Dit houdt in dat de bal in verschillende posities wordt aangespeeld, met andere woorden er diente vanuit verschillende posities gestart te worden. Hierbij worden twee gevallen onderscheiden:

  • Starten met de bal voor het hoofd
  • Starten met de bal aan de zijkant en achterkant

  • Starten met de bal voor het hoofd
    Uitgangshouding: de schuine positie voor de schoolslag.
    Eerste fase: de bal wordt in het water gedrukt. Op het moment dat deze er weer uitkomt, wordt hij naar voren geworpen. Tegelijkertijd wordt er een start naar voren gemaakt, door middel van een sprong: een schoolslag beenslag met ondersteuning door de tegengestelde arm. De sprong moet ongeveer 45° voorwaarts zijn, omdat de speler op die manier de minste weerstand ondervindt.
    Tweede fase: na het naar voren plaatsen van de bal, begint de speler direct aan een aantal meters borstcrawl.

  • Starten met de bal aan de zijkant van het hoofd
    Uitgangshouding: de positie voor het zijwaarts verplaatsen.
    Eerste fase: de speler pakt de bal op door middel van de steekmethode of de draaimethode. Op hetzelfde moment voert hij een schoolslag-beenslag uit en plaatst de andere arm verder naar voren.
    Tweede fase: als hij de bal naar voren werpt, maakt hij met de andere arm een borstcrawl doorhaal.
    Derde fase: de speler zwemt verder met de borstcrawl.


Het zwemmen
De techniek van de poloborstcrawl met bal is nog korter dan wanneer er zonder bal wordt gezwommen. Het tempo ligt hoger. Belangrijk is dat bij de overhaal de elleboog hoog is en de insteek op schouderhoogte plaats vindt. Wanneer dit niet gebeurt, is het moeilijk de bal onder controle te houden tijdens het zwemmen. De speler moet dan slingeren en met de armen de positie van de bal corrigeren.

Het stoppen
De techniek is gelijk aan de techniek zonder bal. In de laatste fase van het stoppen wordt de bal met een van de oppakmethoden uit het water genomen. De techniek die men gebruikt tijdens het spelen hangt nauw samen met de voor het oppakken beschikbare tijd; de druk methode vergt meer tijd dan de andere methoden.

Het van richting veranderen
Ook hier wordt grotendeels dezelfde techniek gebruikt als bij het zonder bal van richting veranderen. Er is dus sprake van een combinatie van verschillende technieken.
In de laatste fase pakt men de bal op met de steek methode of de draaisteekmethode; wanneer men naar links gaat met de rechterarm, en indien naar rechts dan met de linkerarm. Verder wordt de techniek van het starten met de bal gebruikt.

Het keren
De techniek is zoals eerder is beschreven zonder bal. In de laatste fase wordt de bal weer opgepakt met de steekmethode of de draaisteekmethode. De speler moet na het oppakken tijdens het keren de bal niet vlak voor het hoofd plaatsen, maar 2 a 3 meter ervoor. Wanneer de speler de bal vlak voor het hoofd plaatst, remt dit in hoge mate de start af en is het resultaat van het keren niet optimaal. De verplaatsing van de baal moet zo snel mogelijk worden uitgevoerd.

Het lopen
De techniek voor het lopen is dezelfde als reeds beschreven is. de keuze van de techniek wordt door de situatie bepaald. In de wedstrijd zullen ze vaak samen worden toegepast; eerst die voor verplaatsing over grote afstand en daarna, vlak voor het schieten, die voor de kleine afstand.
Wanneer de bal op de hand wordt vervoerd, blijft de arm in de werp positie; met de arm bewegen zou een onjuiste uitvoering van het dreigen zijn.

De sprong en de halve draai
Dit is een specifieke combinatie van technieken die gebruikt wordt bij het zich vrij maken van een tegenstander. De uitgangshouding is de schuine positie voor de schoolslag. Eerste fase: de speler pakt de bal op met behulp van de drukmethode en maakt een sprong naar voren onder een hoek van 45°.
Tweede fase: na de sprong, wanneer de bal weer bij het water komt, maakt de speler een draai om zijn lengte-as tot hij op zijn rug ligt. De arm met de bal blijft achter de tegengestelde arm onder water bij het lichaam.
Derde fase: door middel van een schoolslag-beenbeweging en een stuwbeweging van de linkerarm. Daarna wordt de afstand tussen speler en tegenstander groter of blijft gelijk. De linkerarm wordt weer onderwater terug bewogen.

Het werpen
De werptechnieken tijdens het zwemmen zijn:

  • De polsactie
    • De polsactie (bal naar links plaatsen)
    • De polsactie (bal naar rechts plaatsen)
  • De stootbal
  • De drukbal


  • De polsactie (bal naar links plaatsen)
    Voor het uitvoeren van een polsactie draait de speler tijdens het zwemmen de handpalm naar binnen. De rechtshandige speler past deze worp toe als hij zonder te stoppen naar links wil werpen. De handpalm wordt tegen de bal geplaatst en door een felle polsactie wordt deze opzij geworpen. De vingers hebben tot het laatst contact en geven nog een impuls en richitng.

  • De polsactie (bal naar rechts plaatsen)
    Wil een rechtshandige speler tijdens het zwemmen de bal naar rechts plaatsen, dan gebruikt hij de techniek van de polsactie. De handpalm wordt weer tegen de bal gezet, maar nu naar buiten gedraaid. De pols- en vingeractie wordt de bal naar rechts geworpen.

  • De stootbal
    De rechtshandige speler brengt tijdens het zwemmen de linkerhand onder de bal met de handpalm naar boven. Met de vingers wipt hij nu de bal 5 tot 10 cm uit het water. De rechterhand plaatst hij met de duim naar beneden (gedraaid dus) tegen de bal. De vingers zijn hierbij gebogen en de elleboog is hoog. De bal wordt door de actie van schouder, arm en vingertoppen weg gestoten.

  • De drukbal
    Het verschil tussen de drukbal en de reeds besproken druktechniek is het zwemmen met de bal, dat voorafgaat aan het schot op het doel.

  • Het vangen
    De enige wijze die specifiek in beweging wordt uitgevoerd, is die tijdens de rugcrawl. Bij de andere manier wordt eerst de uitgangspositie voor het vangen ingenomen.


Rugcrawl zwemmen en vangen
Bij het vangen van de bal in beweging wijst de handpalm naar boven; de vingers zijn licht gebogen. De bal wordt gevangen met de vingertoppen; de onderarm beweegt hierbij meer naar beneden. De baal van de bal moet een boog zijn. De plaatsen waar de bal kan worden gevangen, verschillen: achterkant, zijkant en voorkant. Het principe echter blijft gelijk. Bij het vangen aan de zijkant en de voorkant wordt de bal naar achteren doorgegeven.

De techniek van het schieten

Schieten is: het werpen op het doel. De technieken die bij het werpen van de bal worden gebruikt zijn hier van toepassing. Het gaat bij het schieten om het maken van een doelpunt.
Het is niet mogelijk om vanuit elk deel van het veld met succes te schieten. De grootste kans op een goed resultaat heeft de speler als hij vanuit de schietzone schiet.
De schietzone is een gebied voor het doel dat de vorm heeft van een halve cirkel. De straal van de schietzone is afhankelijk van de capaciteiten van de keeper en van de schietvaardigheid van de spelers.
Bi het aanleren en perfectioneren van het schieten moeten we vanaf alle plaatsen in de schiet zone, gebruikmaken van verschillende technieken en zoveel mogelijk de wedstrijd situatie benaderen.
Het schot op het doel moet altijd bewust worden uitgevoerd. De speler kiest zelf een mikpunt in het doel; hij houdt rekening met de grootte van de bal. Het beste is het mikpunt zo groot als een bal voor te stellen.

Het doel wordt ingedeeld in;

  • Links hoog,
  • Links laag,
  • Midden hoog,
  • Rechts hoog,
  • Rechts laag


De mikpunten liggen in bovengenoemde delen. Ze liggen echter niet tegen de paal of de lat aan. Dit geeft te veel risico bij het schieten. Bij een geringe afwijking zou er al gemist worden.
De schutter moet goed op de hoogte zijn van de positie van de keeper in het doel. Dit is het uitgangspunt voor het te kiezen mikpunt en de te kiezen techniek. Het beste is dat de schutter bij een bepaalde situatie de eenvoudigste techniek kiest. Elke techniek heeft een uitgangspositie. Kiest de schutter een bepaalde techniek, dan moet hij daarvoor passende uitgangspositie innemen.

Het schieten dient ook een zo goed mogelijk resultaat te hebben. Om dit te bewerkstelligen moeten alle in aanmerking komende delen van het lichaam worden ingeschakeld. Men schiet niet alleen met de armen, ook de benen en de romp werken ook mee. Het schieten gebeurt zo snel mogelijk, maar mag nooit ten koste gaan van de zuiverheid van het schot. Bij het aanleren ligt het accent dan ook in de eerste plaats op de zuiverheid en daarna pas op de snelheid.

Schieten op de plaats
Vanuit verschillende posities voor het doel schieten.

Schieten uit beweging met stoppen
Bij het aanleren van de schiettechnieken met stoppen zijn in het begin duidelijk drie fases waar te nemen. Inzwemmen met of zonder bal, stoppen met oppakken of vangen, schieten op het doel.
In een later stadium, kunnen steeds moeilijker de delen afzonderlijk onderscheiden worden.

Uitleg van de verschillende balspelen

Het onderdeel balspelen van het examenprogramma is opgenomen vanwege het stimuleren van spel en spelbeleving. De normering is hierop afgestemd. Het gaat er om dat kinderen plezier hebben in het spelen van het spel. De (technische) uitvoering is een middel om tot het spel te komen en geen doel op zich.

Kenmerken van een spel
Het spel moet een bepaalde structuur hebben. De structuur bestaat uit:

  • Doel van het spel: waar gaat het om, bijv. door zo veel mogelijk ballen van de ene kant van het zwembad naar de andere kant van het zwembad te brengen het team dat de meeste ballen overzwommen heeft, heeft gewonnen.
  • Taakverdeling: welke taak hebben de deelnemers aan het spel, bijvoorbeeld aanvaller, verdediger, tikker.
  • Belonen van de prestaties: de mogelijkheid tot scoren moet aanwezig zijn.


Andere kenmerken van een speelbaar spel:
Verrassingmomenten door tempo- en richtingsveranderingen en het verbergen van de eigenlijke bedoelingen tegenover de andere partij (schijnbewegingen),
Momenten waarop risico’s genomen moeten worden. Met andere woorden: in het spel moeten de deelnemers een spanning voelen. De activiteit moet steeds als uitdaging ervaren worden.
Het spel zal ook mogelijkheden tot sociale interactie (zowel mede- als tegenspelers) moeten bieden.

Speelbaar maken van een spel
Het spelontwerp speelt zich af in het zwembad (hier en nu) en niet achter het bureau. De aangedragen balspelen in deze handleiding zijn een handreiking van het Nationaal Platform Zwembaden | NRZ aan de lesgever. Het is de taak van de lesgever om deze balspelen speelbaar te maken voor de kinderen aan wie hij / zij lesgeeft.

Vakkennis of het toepassen van didactische trucjes zijn hierin vele malen belangrijker dan een groot repertoire aan verschillende balspelen. Een goede lesgever is instaat om het spelontwerp aan te passen aan het niveau van kinderen. Dit kan hij door het variëren (aanpassen) van:

  • Speelveld,
  • Spelregels (worden speelregels),
  • Materiaal,
  • Grootte van de groep, groepssamenstelling,
  • Speeltijd.

Hiervoor is het nodig dat een lesgever weet:

  • Aan welke eisen een spel moet voldoen om speelbaar te zijn,
  • Aan welke eisen niet voldaan zijn,
  • Welke middelen er zijn om het spel weer speelbaar te maken.


Waardoor kan een spel mislukken?

  1. De vaardigheid die nodig is om het spel te spelen sluit niet aan bij het niveau van de kinderen. Is het spel te makkelijk, dan is het kinderachting. Is het vaardigheidsniveau van de kinderen onvoldoende, dan worden er geen resultaten behaald en dan verdwijnt de motivatie om het spel voort te zetten. Bovenstaande kan voor de hele groep gelden maar ook voor 1 of twee kinderen. Indien het om een paar kinderen gaat kunnen zij ook aangepaste spelregels krijgen. Streef er naar dat elk kind op zijn niveau kan participeren in het spel.
  2. Wanneer het krachtsverschil tussen beide partijen te groot is dan zullen de verrassingsmomenten en situaties waarin je risico’s moet nemen onvoldoende zijn. Hierdoor valt de spanningsfactor weg en mislukt het spel.


In onderstaande tabel zijn een aantal praktijksituaties beschreven met mogelijke oorzaken en mogelijke oplossingen.

Observatie (mogelijke) oorzaak (mogelijke) oplossingen
Spelers behalen geen resultaat De groepsgroote en de afmetingen van het veld zijn niet op elkaar afgestemd Pas de afmetingen van het speelveld aan aan de groepsgrootte
Het materiaal komt niet tot zijn recht Het materiaal is niet geschikt voor de groep. (bijv. de bal is te zwaar) Pas het te gebruiken materiaal aan door bijv. een lichtere bal, een kleiner doel.
Eventueel komen blessures / ongevallen voor De vaardigheid / conditie ontbreekt Pas het spel aan een lager vaardigheidsniveau en vergroot door middel van speelse vormen de vaardigheid.
Onzekerheid; de spelers nemen een afwachtende houding aan. Het spel is niet goed begrepen (spel uitleg is niet duidelijk genoeg, te langdradig; de kinderen vervelen zich en luisteren niet goed. |Zorg voor een goede en korte uitleg. Je moet je bekwamen in het (technisch) leiding geven.
Je hebt een nieuwe spelregel ingevoerd, niet iedereen is daarvan op de hoogte. Stop het spel (neem eventueel de bal in). Leg uit, waarom een regel gewijzigd wordt, noem die regel en hervat het spel.
Het spel is te moeilijk. Bouw het spel stapsgewijs op en vereenvoudig de spelregels.
Een (groep) spelers behalen te veel resultaat en gaan onverschillig spelen. Het spel is te moeilijk. Maak het spel interessanter door bijvoorbeeld meer ballen te gebruiken, de situatie wordt dan ook gecompliceerder, er zijn meer verrassingsmomenten. Pas het materiaal aan, zwaardere ballen, groter of kleiner doel
De krachtsverschillen tussen de partijen zijn te groot. Breng veranderingen in: taakopdracht, wisselsysteem (bijv. wie een punt scoort speelt bij de andere partij verder), de verhouding aanvallers, verdedigers veranderen.
Gemopper, onverschillig spel. Het spel sluit niet aan bij de intersse van de deelnemers. Vaak vinden ze het te makkelijk, te kinderachtig. Houd bij de lesvoorbereiding rekening met de groep. Ook verandering in de wijze van presenteren kan wonderen doen.
Een aantal spelers doet niet mee. Ze krijgen bij na nooit de bal. De lol gaat er dan bij deze kinderen vaak snel vanaf. Het wil nogal een gebeuren dat de ‘mindere’ goden nooit de bal krijgen. De buiten de groep gestelde doelen (resultaat halen, winnen) zijn belangrijker dan de groepsdoelen. Bied het spel in twee niveaus aan. Vereenvoudig de regels voor deze kinderen (wel met 2 handen vangen ipv 1). Spreek de goede aan op het team aspect en leg uit dat bijv. het niet kunnen vangen van een bal ook te maken heeft met hoe de baal aangespeeld wordt. Zorg ervoor dat het zelfvertrouwen van de ‘mindere’ goden toeneemt. Geef ze veel complimenten.
Soms komt het voor dat meisjes nooit de bal krijgen bij gemengde balspelen. Voeg een spelregel toe bijv:
Alleen de meisjes mogen scoren.

De bal moet beurtelings door een jongen en een meisje gespeeld worden.

Er kan alleen beurtelings door een jongen of meisje gescoord worden.
(Steeds meer) spelers lichten de hand met de spelregels. Veelal gebeurt dit wanneer je de afgesproken spelregels niet consequent hanteert. Treedt op wanneer je een ‘overtreding’ ziet. Wanneer het te gortig wordt leg je het spel even stil


Voorbeelden van balspelen

In deze handleiding zijn voorbeelden van balspelen opgenomen. Mocht de lesgever zelf een leuk balspel weten dan is het toegestaan deze op het examen uit te voeren. Tevens is er het verzoek dit spel te mailen naar het Nationaal Platform Zwembaden | NRZ of op de Zwemwiki.org te zetten zodat andere lesgevers in het land geïnformeerd worden.

Tip
Begin elk spel met zo min mogelijk regels. Voeg pas meer regels toe als dit nodig is. Leg het spel stil en leg uit waarom je de nieuwe regel invoert. Na afloop van het spel kan je het spel nabespreken en aan de kinderen vragen of zij ook nieuwe of andere spel regels willen invoeren.

Inhaalbal

  • Doel van het spel: de bal van de tegenpartij inhalen.
  • Aantal spelers: 6-24
  • Speelruimte: ruimte voor een kring of ovaal opstelling
  • Materiaal: 2 ballen
  • Opstelling: twee teams, waarvan de teamleden om en om naast elkaar in een enkele kring staan opgesteld.



Inhaalbal











  • Taak van de spelers: Ieder team bezit een bal. Op het signaal van de lesgever moet de bal in dezelfde richting wordt en samengespeeld door de spelers van de eigen groep volgens de kring volgorde. Het spel wordt begonnen bij twee tegenover elkaar staande spelers. Wanneer de bal van de tegenpartij is ingehaald krijgt het winnende team een punt en kan het spel opnieuw gestart worden.
  • Opmerking: het samenspelen moet volgens de kringvolgorde gedaan worden, waarbij men de tegenpartij niet mag hinderen.



Drijfbal

  • Doel van het spel: een grote drijvende (opblaasbal) in het vak van de tegenpartij zien te krijgen.
  • Aantal spelers: twee partijen van 3 tot 10 spelers
  • Speelruimte: een speelveld van 8 meter lang en 5 meter breed, waar binnen over de breedte van het veld twee vakken van 1 meter zijn afgebakend. Speelruimte kleiner maken met twee parijen van 3 deelnemers en/ of minder vaardige kinderen.
  • Materiaal: een grote opblaasbal (strandbal), voor ieder teamlid 1 a 2 tennisballen of kinderwaterpoloballen, markeringsobjecten (pylonen, vuilnisbakken) om het midden en de tweede vakken aan te geven.
  • Opstelling: Twee teams, die tegenover elkaar in het vak staan, watertrappen. Van elk team is er 1 teamlid dat in het speelveld mag lopen/zwemmen tot aan de middellijn.



Drijfbal

















  • Taak van de spelers: Vanuit het vak tennisballen tegen de grote bal gooien zodat deze in het vak van de tegenpartij terecht komt. Een van de teamleden van elk team verzamelt in het veld de ballen en gooit deze terug naar zijn teamgenoten.
  • Puntentelling: zodra de bal over lijn komt of zodra de bal wordt aangeraakt, krijgt de tegenpartij een punt.



Vier, Vijf of Tienbal

  • Doel van het spel: de bal vier, vijf of tienmaal overspelen.
  • Aantal spelers: twee partijen van 3 tot 10 spelers
  • Speelruimte: een speelveld van 8 meter lang en 5 meter breed, waar binnen over de breedte van het veld twee vakken van 1 meter zijn afgebakend. Speelruimte kleiner maken met twee parijen van 3 deelnemers en/ of minder vaardige kinderen.
  • Materiaal: 1 bal
  • Opstelling: Twee teams, die verdeeld zijn over het veld.
  • Taak van de spelers: De bal overspelen naar een teamgenoot. Dit mag niet degene zijn van wie de afkomstig is.
  • Spelregels:
    • niet zwemmen met de bal
    • niet werpen naar een speler van wie de bal afkomstig is
    • niet de bal uit de handen tikken
    • niet langer dan drie seconden de bal in bezit houden
    • Mogelijke uitbreiding / inkrimping van de spelregels:
    • Wanneer de bal niet gevangen wordt, krijgt de tegenpartij een vrije worp
    • Het laten vervallen van de 3 seconden regel
    • Bal met 1 handvangen
    • Bal met 2 handen vangen
  • Puntentelling: Een geslaagde serie van vier, vijf of tienmaal overspelen levert 1 punt op.


Tik bal

  • Doel van het spel: als eerste de weggegooide bal aantikken.
  • Aantal spelers: 2 spelers
  • Speelruimte: een speelveld van 10 meter lang en 5 meter breed.
  • Materiaal: 1 bal.
  • Opstelling: de spelers liggen in het veld.
  • Taak van de spelers: 1 speler gooit de bal zo ver mogelijk weg. Beide spelers zwemmen daarna zo snel mogelijk naar de bal. Wie als eerste de bal aan tikt werpt de bal opnieuw weg.
  • Puntentelling: wie als eerste de bal aantikt, krijgt 1 punt. Wie als eerste 3, 4, 5? punten heeft gescoord heeft gewonnen.


Lummelen

  • Doel van het spel: de lummel moet de bal onderscheppen terwijl deze door de 2 andere spelers overgegooid wordt.
  • Aantal spelers: 3 of meer spelers
  • Speelruimte: een speelveld van 5 meter lang en 5 meter breed.
  • Materiaal: 1 bal.
  • Opstelling: de spelers liggen in het veld, de lummel in het midden
  • Taak van de spelers: 2 spelers werpen de bal over en weer. 1 speler probeert de bal te onderscheppen.
  • Mogelijke toevoeging van spelregels:
    • Niet lopen met de bal, alleen zwemmen
    • Bal met 1 hand vangen
    • Bal met 2 handen vangen


Ballen veroveren

  • Doel van het spel: zo veel mogelijk ballen van de tegenpartij in eigen krat zien te krijgen.
  • Aantal spelers: twee partijen van 3 tot 10 spelers
  • Speelruimte: een speelveld dat breder dan lang is, van 10 meter lang en 15 meter breed, waar binnen over de breedte van het veld twee vakken van 1 meter zijn afgebakend. Speelruimte kleiner maken met twee parijen van 3 deelnemers en/ of minder vaardige kinderen.
  • Materiaal: een groot aantal tennisballen of soortgelijke ballen, markeringsobjecten (pylonen, vuilnisbakken) om het midden aan te geven. 2 of meerdere kratten om de ballen in de doen. Caps om de twee teams van elkaar te kunnen onderscheiden.
  • Opstelling: Twee teams, die tegenover elkaar in hun eigen vak tegen de kant aan staan. De ballen evenredig verdeeld over de teams en kratten.

.
Ballen veroveren












  • Taak van de spelers:
    • Vanuit het eigen vak naar het vak van het andere team lopen / zwemmen, 1 bal uit hun krat pakken, terug zwemmen naar de eigen kant om de bal in de eigen krat te doen.
    • Teamleden van de tegenpartij zonder bal tikken, wanneer je getikt bent terug naar je eigen vak daar te kant aan tikken en weer opnieuw starten om een bal van de tegenpartij te veroveren
  • Spelregels:
    • Je mag niet getikt worden als de je kant vast hebt
    • Je mag niet getikt worden als je met de bal terug zwemt
  • Mogelijke uitbreiding / inkrimping van de spelregels:
    • Niet lopen met de bal, alleen zwemmen
    • Je mag getikt worden met bal
  • Puntentelling: zodra de bal over lijn komt of zodra de bal wordt aangeraakt, krijgt de tegenpartij een punt.


Doelschieten

  • Doel van het spel: zo veel mogelijk punten verzamelen door te scoren.
  • Aantal spelers: 2 spelers
  • Speelruimte: een speelveld van 5 meter lang en 5 meter breed.
  • Materiaal: 1 bal en 1 doel (een ‘echt’ doel, een hoepel of een krat).
  • Opstelling: 1 speler ligt in het veld. De ander bij de achterlijn met de bal. Aan de andere kant van het spelveld (ten opzichte van de speler die zich op de achterlijn bevindt) staat het doel opgesteld.
  • Taak van de spelers: de speler met bal probeert deze in het doel te werpen. De speler zonder bal probeert dit te verhinderen. Wanneer de speler zonder bal de bal verovert zwemt hij eer terug naar de achterlijn om daarna richting het doel te bewegen en probeert te scoren. De speler die de bal is kwijt geraakt gaat nu verdedigen en probeert de bal terug te veroveren.
  • Puntentelling: Wie de meeste punten heeft gescoord heeft gewonnen.


Minipolo

  • Doel van het spel: door samen te spelen en tactiek de bal in het doel van de tegenstander werpen.
  • Aantal spelers: 2 teams van 3 of 4 of 5 spelers
  • Speelruimte: een speelveld van 15 meter lang en 10 meter breed.
  • Materiaal: 1 bal. Twee doelen in het midden van de breedte geplaatst. Eventueel caps met een verschillende kleur om de teams uit elkaar te houden.
  • Opstelling: de spelers liggen in het veld, tegen de achterlijn aan. Er is geen keeper. Zodra de bal in het water is begint het spel.
  • Taak van de spelers: de bal zwemmend en overspelend voor het doel van de tegenpartij krijgen en de bal in het doel werpen.
  • Spelregels:
    • Elkaar niet onder water duwen
    • De bal met 1 hand werpen
    • De bal met twee handen vangen
    • Het team dat een punt tegen heeft gehad krijgt de bal.
  • Mogelijke uitbreiding / inkrimping van de spelregels:
    • Niet lopen met de bal, alleen zwemmen
    • Bal met 1 handvangen
    • Bal met 2 handen vangen
    • Keeper aanwijzen
    • Met twee ballen spelen
    • Meer spelers in het team
    • Het spelveld groter / kleiner maken
    • Andere doelen, bijv hoepels of emmers
    • De doelen in het middel van het speelveld zetten met de achterkanten tegen elkaar aan
  • Puntentelling: het team dat de bal in het doel van het andere team gooit, krijgt 1 punt. Het team, dat de meeste punten heeft behaald, heeft gewonnen.


Normering per diploma

Zwemvaardigheidsdiploma Waterpolo 1


1.1 Vanuit het water, 15 meter waterpoloborstcrawl,
aansluitend 15 meter waterpolorugcrawl, gevolgd door 5 meter waterpoloschoolslag en 15 meter zijwaarts verplaatsen.

Essentie is;

  • het voortbewegen zonder bal, waarbij voor elke techniek de kenmerken aspecten terug te zien zijn in de ewegingsuitvoering. Dit zijn voor
    waterpoloborstcrawl, schuine lichaamspositie, hoofd omhoog en korte armslag.
    Waterpolorugcrawl, hoofd uit het water en korte armbeweging
    Waterpoloschoolslag, hoge armfrequentie
    Zijwaarts verplaatsen, zijligging, borstcrawl arm doorhaal met ene arm en een schoolslag armdoorhaal met de andere arm.


1.2 Vanuit het water, 15 seconden ongelijkzijdig watertrappen op de plaats, aansluitend, 10 seconden ongelijkzijdig watertrappen op de plaats met 1 arm omhoog, gevolgd door 5 sec ongelijkzijdig watertrappen op de plaats met twee handen omhoog.

Essentie is;
Het tonen van een technisch goed uitgevoerde ongelijkzijdige watertraptechniek.

1.3 Vanuit het water, 15 meter waterpoloborstcrawl met bal.

Essentie is;
het verplaatsen met bal
N.B. de start wordt niet meegenomen in de beoordeling.


1.4 In het water, 5 keer werpen (passen) van de bal, naar een medespeler, waarbij het werpen met één hand gebeurt en gericht wordt op de handen van de medespeler, die zich op 2 a 3 meter afstand eveneens in het water bevindt. De bal wordt opgepakt met de draaisteekmethode.

Essentie is;
het tonen van de draaisteekmethode voor het oppakken van de bal
het tonen van de passtechniek.
N.B. De medespeler hoeft de bal niet te vangen.

1.5 Op een afstand van 3 meter 3 x schieten op het doel, waarbij vanuit verschillende posities voor het doel (positie recht voor het doel, alsmede eenmaal links en eenmaal rechts voor het doel) geschoten wordt en waarbij de bal wordt opgepakt met de draaisteekmethode.

Essentie is;
Het tonen van een technisch goed uitgevoerd schietbeweging op het doel, waarbij de positie voor het doel elke schiet poging anders is.


1.6 Het spelen van twee balspelen naar keuze in borstdiep water.

Essentie is het spelen van het spel in borstdiep water, waarbij;

  • de bal met 1 hand geworpen wordt,
  • de bal met 1 of 2 handen gevangen wordt,
  • de bal met 1 of 2 handen opgepakt mag worden,
  • elk teamlid de taak uitvoert die hij / zij toegewezen krijgt.

N.B. De lesgever moet kunnen verantwoorden waarom de gekozen balspelen uitgevoerd worden op het examen en welke variabelen (zoals aantal spelers, grootte van het spelveld) hij / zij heeft gekozen heeft ten aanzien van de speelbaarheid van het balspel.


Zwemvaardigheidsdiploma Waterpolo 2


2.1 Vanuit het water, starten, 5 meter (of ongeveer 8 zwemslagen) waterpoloborstcrawl, keren 5 meter waterpoloborstcrawl, keren 5 meter waterpolorugcrawl, keren 5 meter waterpoloborstcrawl, stoppen en zijwaarts verplaatsen naar links (of rechts), keren en zijwaarts verplaatsen naar rechts (of links).
N.B. in plaats van meters is het ook toegestaan om zwemslagen te tellen.

Essentie is;
het tonen van de start, stop en verschillende keertechnieken.

2.2 Vanuit het water, 3 x omhoog springen.

Essentie is;
Het tonen van een technisch goed uitgevoerde sprong omhoog.

2.3 Vanuit het water, starten met de bal voor het hoofd, 10 meter waterpoloborstcrawl met bal, keren met bal,10 meter waterpoloborstcrawl met bal, stoppen, de
bal oppakken met methode naar keuze en de bal zo ver mogelijk werpen.

Essentie is;
het tonen van het kunnen starten, verplaatsen, keren en stoppen met bal. De bal mag met een slingerworp geworpen worden.

2.4 In het water, 5 keer werpen (passen) van de bal met een boogbal, naar een medespeler, waarbij werpen met één hand gebeurt en gericht wordt op de handen van de medespeler, die zich op 2 à 3 meter afstand eveneens in het water bevindt.

Essentie is;
het tonen van de drukmethode voor het oppakken van de bal
het tonen van de techniek voor de boogbal.
N.B. De medespeler hoeft de bal niet te vangen.


2.5 Op een afstand van 3 meter 4 x schieten op het doel, waarbij vanuit de posities recht voor het doel 1x in de linker bovenhoek, 1x in de rechter bovenhoek, 1x in de linker onderhoek en 1x in de rechter onderhoek geschoten wordt en waarbij de bal wordt opgepakt met de drukmethode.

Essentie is;
Het tonen van een technisch goed uitgevoerde gerichte schietbeweging op het doel, waarbij elk schot in een andere hoek in het doel geplaatst wordt.


2.6 Het spelen van twee balspelen naar keuze in borstdiep of diep water.

''Essentie is;
het spelen van het spel in borstdiep water, waarbij;''

  • de bal met 1 hand geworpen wordt,
  • de bal met 1 of 2 handen gevangen wordt,
  • de bal met 1 hand opgepakt wordt,
  • elk teamlid de taak uitvoert die hij / zij toegewezen krijgt,
  • indien de keuze van de te spelen balspelen het toelaten het kind tijdens het tweede spel een andere taak krijgt toegewezen (aanvallen / verdedigen).

N.B. De lesgever moet kunnen verantwoorden waarom de gekozen balspelen uitgevoerd worden op het examen en welke variabelen (zoals aantal spelers, grootte van het spelveld) hij / zij heeft gekozen heeft ten aanzien van de speelbaarheid van het balspel.

Zwemvaardigheidsdiploma Waterpolo 3


3.1 Vanuit het water, met zijn tweeën starten, waarbij de een probeert vrij te zwemmen en de ander te volgen en waarbij de verschillende zwem-, start-, stop- en keertechnieken worden toegepast gedurende 30 seconden. Na 30 seconden wordt er gewisseld van positie.

Essentie is;
voor de ‘vrijzwemmer’ om proberen vrij te komen liggen van de volger door gebruik te maken van de verschillende zwem-, start-, stop- en keertechnieken.
voor de volger om adequaat te reageren op de pogingen van de ‘vrijzwemmer’om los te komen.

3.2 Vanuit het water, 2 x opspringen zijwaarts naar links en aansluitend 2 x opspringen naar rechts.

Essentie is;
Het tonen van een technisch goed uitgevoerde sprong naar links en naar rechts.


3.3 Vanuit het water, starten met de bal, 5 meter waterpoloborstcrawl met bal, stoppen met bal, bal oppakken met methode naar keuze en bal passen naar medespeler die op 3 meter afstand ligt. Dit driemaal.

Essentie is;
het tonen van het kunnen starten, verplaatsen en stoppen met bal. Bij het starten met bal zowel de techniek van het starten met de bal voor het hoofd als aan de zijkant van het hoofd laten zien.

3.4 In het water, 5 keer werpen (passen) van de bal met een boogbal en 3 keer werpen (passen) van de bal achterwaarts, naar een medespeler, waarbij werpen met één hand gebeurt en gericht wordt op de handen van de medespeler, die zich op 2 a 3 meter afstand eveneens in het water bevindt.

Essentie is;
het tonen van de drukmethode voor het oppakken van de bal
het tonen van de techniek voor de boogbal
De medespeler vangt de bal met één hand tijdens het onderdeel boogbal.
De medespeler hoeft de bal niet de vangen tijdens het onderdeel achterwaarts.

3.5 Schieten op het doel, waarbij 1 speler op 8 meter vanaf het doel aankomt zwemmen met de bal. Tegelijkertijd start ter hoogte van het doel op 4 meter vanaf de linker- of rechterpaal een tegenspeler om het schieten te verhinderen.

Waterpolo vaardigheden 3 Eis 5














Essentie is;
Het naar eigen inzicht timen van de volgende handelingen met een juiste techniek; voortbewegen met bal, stoppen voor het doel, oppakken van de bal en schieten op het doel.

3.6 Het spelen van twee balspelen naar keuze in diep water.

Essentie is het spelen van het spel in borstdiep water, waarbij;

  • de bal met 1 hand geworpen wordt,
  • de bal met 1 hand gevangen wordt,
  • de bal met 1 hand opgepakt wordt,
  • elk teamlid de taak uitvoert die hij / zij toegewezen krijgt,
  • indien de keuze van de te spelen balspelen het toelaten het kind tijdens het tweede spel een andere taak krijgt toegewezen (aanvallen / verdedigen).

N.B. De lesgever moet kunnen verantwoorden waarom de gekozen balspelen uitgevoerd worden op het examen en welke variabelen (zoals aantal spelers, grootte van het spelveld) hij / zij heeft gekozen heeft ten aanzien van de speelbaarheid van het balspel.

Literatuur


Trumbic, I (1980). Waterpolo. Culemborg: Educaboek B.V.
Lint van, C (1977). Waterpolo een handboek voor trainer, coach en speler. Haarlem: Uitgeverij de Vriescheborg.
Kwee, F (1983). Recreatieve sportvormen, handleiding voor e recreatiesportleider. Houten / Zaventem: Bohn Stafleu Van Loghum.
Stichting Sport en Spel (1968). Het spelenboek. Amsterdam: Stichting Sport en Spel.
Rippe, M (1976). Het overdekte strand. Alphen aan de Rijn: Samsom Uitgeverij B.V.


PDF Afdrukken