Fullscreen
Loading...
 

Examenprogramma Zwemvaardigheidsdiploma Wereldzwemslagen 1, 2 en 3


Zwemvaardigheidsdiploma Wereldzwemslagen 1


25 meter Dubbele Spaanse slag
25 meter Japanse crawl
25 meter Zeemansslag
25 meter Zijslag
25 meter Samengestelde rugslag
25 meter Lange schoolslag
25 meter Dubbele Spaanse rugslag

Zwemvaardigheidsdiploma Wereldzwemslagen 2


25 meter Spaanse slag
25 meter Matrozenslag
50 meter Zeemansslag in tweetallen
25 meter Eénarmige zijslag
25 meter Sidestroke
25 meter Engelse slag
25 meter Spaanse rugslag

Zwemvaardigheidsdiploma Wereldzwemslagen 3


25 meter Hongaarse slag
25 meter Japanse Morote slag
25 meter Japanse Hitoe slag
25 meter Rugtrudgeon
25 meter Duitse crawl
25 meter Helikopterslag
25 meter Thrust

Terminologie

Voor de beschrijving van de zwemtechnieken van de verschillende Wereldzwemslagen zijn termen gebruikt die hieronder nader uitgelegd worden.

Voor, achter, boven en onder
Met ‘voor’ en ‘achter’ worden de plaatsbepalingen bedoeld van de lichaamsdelen. Met de zin ‘de arm ligt gestrekt voor’, wordt bedoeld dat de arm gestrekt is en de arm in de zwemrichting wijst.

Met ‘boven’ en ‘onder’ worden plaatsbepalingen bedoeld van de lichaamsdelen op de verticale as.

Ademarm en waterarm
De termen ‘ademarm’ en ‘waterarm’ worden gebruikt om de beweging van de armen te beschrijven. De term ademarm duidt op de arm aan de kant van het lichaam waar geademd wordt. De term waterarm wordt gebruikt voor de arm aan de andere kant van het lichaam.

Adembeen en waterbeen
Hetzelfde principe geldt voor lucht- en waterbeen. Het adembeen is het been aan de zijde van het lichaam waar men ademhaalt en waterarm is de andere kant.

Linkerarm en rechterarm
De termen ademarm en waterarm worden niet gebruikt voor de beschrijving van de armbeweging van de rugslagen. Voor de beschrijving van de rugslagen wordt gebruik gemaakt van de termen ‘linkerarm’ en ‘rechterarm’.

Armslag en armcyclus
De begrippen ‘armslag’ en ‘armcyclus’ worden gebruikt bij het beschrijven van de borstcrawl- en rugcrawlarmbeweging. Een armslag is een doorhaal van de ene arm (bijvoorbeeld de linkerarm) en een overhaal van de andere arm (rechterarm). Tijdens een armcyclus maken beide armen, dus zowel linker- als rechterarm, een doorhaal én overhaal. Eén armcyclus bestaat uit 2 armslagen.

De Ligging tijdens Spaanse slagen, Hongaarse slag en Matrozenslag
Bij de uitvoering van deze zwemslagen wisselt de ligging. Er is sprake van een borst- of rugligging, die afgewisseld wordt met zijligging. Deze afwisselende ligging wordt een tussenvorm genoemd.


Verschillende beenslagen

Gewijzigde schoolbeenslag
Bij de schoolbeenslag moeten alle bewegingen symmetrisch worden uitgevoerd.
Een gewijzigde schoolbeenslag wijkt hier vanaf en is dus niet meer symmetrisch. Tijdens het zwemmen in zijligging kan het onderste been wel de schoolbeenslagbeweging maken maar het bovenste been niet omdat het dan boven water uitkomt. Door de knie en de voet minder naar buiten te draaien wordt dit voorkomen. Hoe verder men op de zij ligt hoe meer men de schoolbeenslag moet aanpassen.

Schaarslagen
Er worden drie verschillende schaarslagen gezwommen, namelijk de gesloten schaarslag (sidestroke), de wijde schaarslag (rugtrudgeon, helikoperslag) en de Japanse schaarslag (Japanse Morote slage, Japanse Hitoe slag).

Schematische tekeningen van de drie verschillende schaarslagen staan hieronder afgebeeld (uit Handboek zwemtechnieken, Schermer, D., Veen van der, H., Lousberg, A., Uitgeverij de Vrieseborch, 1999).

Bij de Sidestroke

Image








Bij de Rugtrudgeon en Helikopterslag

Image










Bij Japanse Morote slag en Japanse Hitoe slag

Image










Techniekbeschrijving en normering van de zwemslagen



DUBBELE SPAANSE SLAG
De beweging van de dubbele Spaanse slag bestaat uit borstcrawlarmen en schoolslagbenen. Tijdens elke arm doorhaal wordt een beenslag uitgevoerd.

De zwemwijze van de slag is een tussenvorm omdat de ligging geen zuivere borst-, rug-, of zijligging is. De ligging bij een tussenvorm wisselt voortdurend.

1.Ligging
De ligging is nagenoeg geheel een borstligging, waarbij het lichaam voortdurend draait op één zij en weer terug. Deze draaibeweging is ongeveer 20° tot maximaal 45°
en nodig om te ademen. Tijdens de doorhaal van de ademarm draait het lichaam niet naar zijligging.

2. Uitgangshouding
Gestrekte borstligging, met het gezicht in het water, ademarm gestrekt voor, de waterarm gestrekt tegen de dij. Benen en voeten gestrekt in het verlengde van het lichaam.

3. Armbeweging
Het is een asymmetrische armbeweging, die sterk lijkt op de borstcrawl- armbeweging en waarbij de techniek van de borstcrawl gevolgd wordt.

4. Beenslag
De beenslag is een schoolbeenslag.

5. Combinatie
1e beweging: Ademarm doorhalen, waterarm overhalen, inzetten van de beenbeweging en draaiing naar zijligging. De stuwbeweging van de benen valt samen met het insteken van de vingers (ademarm).

  • Let op: de beenslag moet eerder dan of tegelijkertijd klaar zijn met de armslag, niet later.

Uitdrijfmoment in zijligging.

  • 2e beweging: Ademarm overhalen, waterarm doorhalen, inzetten van de beenbeweging, en draaiing naar borstligging. De stuwbeweging van de benen valt samen met het insteken van de vingers (ademarm).
    Let op: de beenslag moet eerder dan of tegelijkertijd klaar zijn met de armslag, niet later.

Uitdrijfmoment in borstligging.
Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.

N.B. De dubbele Spaanse slag verschilt van de Spaanse slag doordat aan het einde van elke doorhaal de beenbeweging volgt.

6. Ademhaling
De ademhaling wordt net als bij de borstcrawl gekoppeld aan de armslag. De inademing vindt plaats aan het begin van de overhaal van de ademarm. De uitademing vindt plaats tijdens de doorhaal (duwfase) van de ademarm.

Essentie is het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering, waarbij:

  • de armen tijdens de overhaal boven water naar voren worden gebracht;
  • de gewijzigde schoolbeenlslag herkenbaar is;
  • tijdens elke arm doorhaal een beenslag;
  • de ademhaling zijwaarts is;
  • het hoofd in het water is;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een duidelijk uitdrijfmoment in zijligging (max. 60°) wordt getoond.



JAPANSE CRAWL
De beweging van de Japanse crawl bestaat uit borstcrawlarmen en borstcrawlbenen, waarbij de armslag ‘arm voor arm’ gezwommen wordt en de armen vóór op elkaar wachten.

De slag wordt gezwommen in borstligging.

1. Ligging
De ligging is gelijk aan de ligging bij de borstcrawl.

2. Uitgangshouding
(Gestrekt in een zo horizontaal mogelijke borstligging net onder de waterlijn.)
Gestrekt in borstligging net onder de waterlijn.
Het hoofd in het verlengde van het lichaam en tot de haargrens met het gezicht in het water. Beide armen voor strekken in de zwemrichting.

3. Armbeweging
Het is een asymmetrische armbeweging, die sterk lijkt op de borstcrawl-armbeweging. Met het verschil dat de voorliggende arm langdurig voor blijft liggen. De doorhaal van de voorliggende arm wordt pas gestart op het moment dat de hand van de andere arm naast de voorliggende arm komt te liggen
Anders gezegd: het is een gewone borstcrawl waar de armen om de beurt een cyclus maken.

Uit het verleden weten we dat Japanse zwemmers de voorliggende arm een kleine voorsprong gaven op de aankomende overhalende arm.

4. Beenslag
De beenslag is een borstcrawlbeenslag, die zich niet aanpast aan het ritme van de armen. (M.a.w. de beenslag wordt onafhankelijk van de armslag uitgevoerd).

5. Combinatie van de armbeweging
1e beweging:

  • De voorste arm (ademarm) start met de door- en overhaal.
    De andere arm (waterarm) blijft gestrekt voor in de zwemrichting liggen.

2e beweging:

  • Pas als de hand van de ademarm weer naast de waterarm ligt start de door- en overhaal van de waterarm.

Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.

6. Ademhaling
De ademhaling wordt net als bij de borstcrawl gekoppeld aan de armslag. De inademing vindt plaats aan het begin van de overhaal van de ademarm. De uitademing vindt plaats tijdens de doorhaal (duwfase) van de ademarm.

Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • de armen tijdens de overhaal niet door het water naar voren worden gebracht;
  • de wisselende op- en neerwaartse beenbeweging herkenbaar is;
  • de ademhaling zijwaarts is;
  • het hoofd in het water is;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een ‘rustmoment’ in de armbeweging wordt getoond.



ZEEMANSSLAG
De beweging van de lange zeemansslag bestaat uit een armbeweging, waarbij één arm (waterarm) een verticale schoolslagbeweging maakt en één arm (ademarm) de zeemansslagbeweging. De beenbeweging is een gewijzigde schoolbeenslag.

Gedurende de hele slag blijft het lichaam in dezelfde linker of rechter zijligging.

1. Ligging
Het lichaam ligt ‘half op de zij’, waarbij de borst een hoek van 45o maakt met het wateroppervlak. Het hoofd ligt met het oor op de schouder. Leg niet het hele achterhoofd in het water, want dan draait het lichaam te ver door op de
zij. Kijk gewoon opzij.
Dan heb je een beter golfdal ten behoeve van de ademhaling.

2. Uitgangshouding
De waterarm is gestrekt voor het lichaam. De ademarm ligt gestrekt achterwaarts, met de duim tegen het dijbeen aan. De benen en voeten zijn gestrekt en gesloten.

3. Armbeweging
De waterarm maakt een doorhaal totdat de hand ter hoogte is van de voorliggende schouder. In een doorlopende beweging, waarbij de handpalm rompwaarts gericht is en de elleboog naar de romp wordt gebracht, wordt de arm naar voren gestrekt. Tijdens het strekken van de waterarm wordt de handpalm weer naar de bodem gericht.

De ademarm gaat vanuit een gestrekte houding langs het lichaam, dicht langs het lichaam naar voren (door de tegendruk van het water wijzen de vingers naar achteren), totdat de hand de voorliggende schouderlijn bereikt heeft.
Daarna strekken de vingers en pols zich en wordt de onderarm (bijna) verticaal
gebracht om de hierna volgende stuwbeweging te maken. De doorhaal wordt ingezet en door de duwbeweging wordt de arm gestrekt.

Vanuit de gestrekte positie van de onderste arm voor en de bovenste arm achter worden beide bewegingen gelijktijdig ingezet. De handen ‘ontmoeten’ elkaar ter hoogte van de voorliggende schouderlijn.
Op deze wijze worden stuw- en contrabewegingen op de juiste wijze afgewisseld.
Per slag steeds zelfde benaminggebruiken: of onderste en bovenste of water en lucht.

4. Beenslag
Door de schuine ligging moet de schoolslagbeenslag aangepast worden. Tijdens het buigen van de benen gaan de knieën niet te ver uit elkaar. Het bovenste been wordt in plaats van naar boven meer naar voren gebracht. Bij de omhaal van de onderbenen zijn de voornaamste stuwvlakken de achterkant van het bovenbeen, binnenzijde onderbeen en binnenzijde enkel, naarmate de omhaal naar achteren verloopt, in toenemende mate de voetzoel van het onderste been.

5. Combinatie
1e beweging:

  • Waterarm doorhalen, ademarm naar voren brengen, benen buigen.

2e beweging:

  • De waterarm naar voren brengen, ademarm doorhalen, benen omhalen.

Uitdrijfmoment in schuine zijligging
Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.

6. Ademhaling
De ademhaling gebeurt in het ritme van de slag. Bij voorkeur inademen tijdens de doorhaal van de waterarm en uitademen tijdens de doorhaal van de ademarm.

De hoofdhouding gedurende de hele slag blijft stabiel, het hoofd ligt met het oor op de schouder.

Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • de ligging ‘half op de zij’ is;
  • beide armen tegelijkertijd de armbeweging inzetten;
  • de armen elkaar tegen komen ter hoogte van de borst;
  • de voet en het onderbeen tijdens de beenbeweging niet boven het wateroppervlak uitkomen;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een duidelijk uitdrijfmoment in zijligging wordt getoond.



ZIJSLAG
De beweging van deze lange zijslag bestaat uit een armbeweging, waarbij één arm (waterarm) een schoolslagarmbeweging maakt en één arm (ademarm) een borstcrawlarmbeweging. De beenbeweging is een gewijzigde schoolslagbeenslag.

Gedurende de hele slag blijft het lichaam in dezelfde zijligging.

1. Ligging
De ligging is ‘meer op de zij’ dan bij de zeemansslag. De borst maakt ten opzichte van het wateroppervlak een hoek van circa 60o. Het gezicht is uit het water en kijkt schuin naar boven.


2. Uitgangshouding
De waterarm ligt gestrekt voor, met de hand palm naar beneden gericht. De ademarm is gestrekt langs het lichaam, met de handpalm op het bovenbeen. De benen en voeten zijn gesloten.

3. Armbeweging
De waterarm maakt een beweging die lijkt op de waterarmbeweging van de zeemansslag. Het verschil is dat de waterarm dieper gaat (meer richting bodem) omdat de ligging schuiner is dan 60° i.p.v. 45° bij de zeemansslag.
De waterarm maakt een doorhaal totdat de hand ter hoogte is van de voorliggende schouder. In een doorlopende beweging, waarbij de handpalm rompwaarts gericht is en de elleboog naar de romp wordt gebracht, wordt de arm naar voren gestrekt. Tijdens het strekken van de waterarm wordt de handpalm weer naar de bodem gericht

De ademarm maakt ongeveer dezelfde beweging als bij de borstcrawl. De overhaal gebeurt ontspannen met gebogen arm, waarbij de bovenarm een maximale hoek van 45° met het wateroppervlak maakt. De inzet is op ¾ armlengte. Bij de doorhaal is de ademarm licht gebogen, waarbij de stuwbeweging, door de schuine ligging vlak langs de romp plaatsvindt.

4. Beenbeweging
De beenslag is qua techniek hetzelfde als bij de zeemansslag. Alleen zal de beenslag t.o.v. het lichaam iets anders zijn door de schuinere ligging bij de zijslag.. De beenslag is dus een gewijzigde schoolbeenslag en geen schaarslag.

5. Combinatie
1e beweging:

  • Waterarm doorhalen tot schouderlijn, ademarm over het water halen. De beenslag begint iets later dan de ademarm, maar beenslag is klaar op moment dat de hand van de ademarm wordt ingestoken.

2e beweging:

  • De waterarm naar voren strekken, ademarm doorhalen tot de dij, benen blijven stil.

Uitdrijfmoment.
Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.

6. Ademhaling
De ademhaling is gelijk aan die van de zeemansslag.

Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • de ligging op de zij is, waarbij het lichaam ten opzichte van het wateroppervlak een hoek maakt die kleiner is als 90 graden;
  • beide armen tegelijkertijd de armbeweging inzetten;
  • de ademarm tijdens de overhaal niet door het water naar voren wordt gebracht;
  • de voet en het onderbeen tijdens de beenbeweging niet boven het wateroppervlak uitkomen;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een duidelijk uitdrijfmoment in zijligging wordt getoond.



SAMENGESTELDE RUGSLAG
De beweging van de samengestelde rugslag bestaat uit een armbeweging waarbij beide armen tegelijkertijd over en door het water gehaald worden. De beenbeweging is de beenslag van de enkelvoudige rugslag.

1. Ligging
Gestrekte rugligging, met het hoofd tot en met de oren in het water, beide armen gestrekt langs het lichaam. Benen en voeten gestrekt in het verlengde van het lichaam.

2. Armbeweging
De armbeweging is een symmetrische armbeweging, waarbij beide armen tegelijk over en door het water gehaald worden. De armen worden gestrekt en zoveel mogelijk voor de schouders ingezet waarbij de handpalmen naar buiten wijzen. De doorhaal gebeurt in het horizontale vlak.

3. Beenbeweging
De beenslag van de enkelvoudige rugslag.

4. Combinatie:
1e beweging:

  • Contrabeweging van de beenslag, gevolgd door de stuwbeweging. Tijdens de stuwbeweging van de benen vindt de overhaal van de armen plaats. Uitdrijfmoment in rugligging met armen gestrekt in het verlengde van het lichaam.

2e beweging:

  • Doorhaal van de armen. De benen blijven tijdens de doorhaal gestrekt en gesloten aan het oppervlak liggen. Uitdrijfmoment in rugligging is de uitgangshouding voor de 1e beweging.


5. Ademhaling
Inademen gebeurt aan het begin van de armoverhaal en uitademen tijdens het doorhalen van de armen.

Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • beide armen tegelijkertijd symmetrisch de armbeweging uitvoeren;
  • de armdoorhaal plaatsvindt in het horizontale vlak en de overhaal in het verticale vlak;
  • de beenbeweging van de enkelvoudige rugslag herkenbaar is;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • twee uitdrijfmomenten getoond worden; één met de armen gestrekt in het verlengde van het lichaam en één met de armen naast het lichaam.



LANGE SCHOOLSLAG
De beweging van de lange schoolslag bestaat uit schoolslagarmen en schoolslagbenen, waarbij minimaal 3 seconden wordt uitgedreven met het gezicht in het water.

Gedurende de hele slag blijft het lichaam in dezelfde borstligging.

1. Ligging
Borstligging.

2. Uitgangshouding
De uitgangshouding is gelijk aan de gewone schoolslag met het verschil dat het gezicht in het water is.

3. Armbeweging
De armbeweging is gelijk aan die van de schoolslag met het verschil dat tijdens het naar voren strekken van de armen (strekfase van de contrabeweging) het gezicht in het water wordt gelegd.

4. Beenbeweging
De beenslag is gelijk aan die van de schoolslag.

5. Combinatie
De combinatie is gelijk aan die van de schoolslag met het verschil;

  • dat tijdens het naar voren strekken van de armen (strekfase van de contrabeweging) het gezicht in het water wordt gelegd,
  • dat na het sluiten van de benen 3 seconden wordt uitgedreven.


6. Ademhaling
De inademing vindt plaats aan het einde van de armdoorhaal van de armen, door het hoofd ligt op te heffen. De uitademing vindt plaats tijdens de strek- en glijfase. Het uitademen gebeurt in het water.

Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • de ligging zo horizontaal mogelijk is;
  • uitademen gebeurt met het gezicht in het water;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een behoorlijk voortstuwingsrendement getoond wordt;
  • een duidelijk uitdrijfmoment in borstligging getoond wordt (minimaal 3 sec).



DUBBELE SPAANSE RUGSLAG
De beweging van de dubbele Spaanse rugslag bestaat uit rugcrawlarmen en enkelvoudige rugslagbenen. Tijdens elke armdoorhaal wordt een beenslag uitgevoerd.

Gedurende de hele slag blijft het lichaam in dezelfde rugligging.

1. Ligging
Rugligging.

2. Uitgangshouding
Een arm gestrekt naast het lichaam en de andere gestrekt langs het hoofd en die wijst in de zwemrichting. De benen en voeten zijn gestrekt en gesloten.

3. Armbeweging
De armbeweging is gelijk aan die van de rugcrawl.

4. Beenbeweging
De beenslag is gelijk aan die van de enkelvoudige rugslag.

5. Combinatie:
1e beweging:

  • De linkerarm, die in de zwemrichting wijst, start met de doorhaal de andere arm (langs het lichaam) met de overhaal.
    Aan het einde van de doorhaal, tijdens de duwfase, volgt de beenslag.
    Let op: de beenslag moet eerder dan of tegelijkertijd klaar zijn met de armslag, niet later.

Uitdrijfmoment in rugligging.
2e beweging:

  • Een nieuwe doorhaal (rechterarm) en overhaal (linkerarm) wordt gestart.
    Aan het einde van de doorhaal (rechterarm), tijdens de duwfase, volgt de beenslag.
    Let op: de beenslag moet eerder dan of tegelijkertijd klaar zijn met de armslag, niet later.

Uitdrijfmoment in rugligging.
Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.

N.B. De dubbele Spaanse rugslag verschilt van de Spaanse rugslag doordat aan het einde van elke doorhaal een de beenbeweging volgt.

6. Ademhaling
De ademhaling is gelijk aan die van de rugcrawl.


Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • de armdoorhaal plaatsvindt in het horizontale vlak en de overhaal in het verticale vlak;
  • de armen elkaar niet inhalen;
  • tijdens elke armdoorhaal een beenslag wordt uitgevoerd;
  • de beenbeweging van de enkelvoudige rugslag herkenbaar is;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een duidelijk uitdrijfmoment in rugligging wordt getoond.


SPAANSE SLAG
De beweging van deze korte Spaanse slag bestaat uit borstcrawlarmen en schoolslagbenen.

De zwemwijze van de slag is een tussenvorm omdat de ligging geen zuivere borst-, rug-, of zijligging is. De ligging bij een tussenvorm wisselt voortdurend.


1. Ligging
De ligging is nagenoeg geheel een borstligging, waarbij het lichaam voortdurend kantelt naar zijligging en weer terug. Deze draaibeweging is ongeveer 20o tot 45o aan de kant van de ademarm en nauwelijks (max 20o aan de kant van de waterarm).

2. Uitgangshouding
Gestrekte borstligging, met het gezicht in het water, één arm gestrekt in de zwemrichting, de andere arm gestrekt tegen de dij. Benen en voeten gestrekt.

3. Armbeweging
Het is een asymmetrische armbeweging, die sterk lijkt op die van de borstcrawlarmbeweging en waarbij de techniek van de borstcrawl gevolgd wordt.

4. Beenslag
De beenslag is een schoolbeenslag of een gewijzigde schoolbeenslag afhankelijk van de mate van kanteling die de leerling maakt.


5. Combinatie
1e beweging:

  • Ademarm doorhalen, waterarm overhalen, benen blijven stil.

2e beweging:

  • Ademarm overhalen, waterarm doorhalen en inzetten van de beenbeweging. De stuwbeweging van de benen valt samen met het insteken van de vingers (ademarm).
    Let op: de beenslag moet eerder dan of tegelijkertijd klaar zijn met de armslag, niet later.

Uitdrijfmoment in borstligging.
Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.

6. Ademhaling
De ademhaling wordt net zoals bij de borstcrawl gekoppeld aan de armslag

Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • de armen tijdens de overhaal boven water naar voren worden gebracht;
  • de gewijzigde schoolbeenslag herkenbaar is;
  • de ademhaling zijwaarts is;
  • het hoofd in het water is;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een duidelijk uitdrijfmoment in zijligging (max. 60o) én in borstligging wordt getoond.



MATROZENSLAG
De beweging van de matrozenslag bestaat uit een “dogpaddle”-armbeweging en schoolslagbenen.

De zwemwijze van de slag is een tussenvorm omdat de ligging geen zuivere borst-, rug-, of zijligging is. De ligging bij een tussenvorm wisselt voortdurend. Deze slag lijkt op de Spaanse slag met de armen steeds onder water.

1. Ligging
De ligging is nagenoeg geheel een borstligging, waarbij het lichaam voortdurend draait naar zijligging en weer terug. Deze draaibeweging is ongeveer 20o tot maximaal 45o.

2. Uitgangshouding
Gestrekte zijligging, met het gezicht in het water, één arm gestrekt in de zwemrichting (ademarm), de andere arm (waterarm) gestrekt tegen de dij. Benen en voeten gestrekt.


3. Armbeweging
Het is een asymmetrische armbeweging, die sterk lijkt op de borstcrawl- armbeweging. Met het verschil dat de armen niet over maar onderwater naar voren worden gebracht. Het naar voren brengen van de arm gebeurt door het buigen van de elleboog. Door de weerstand van het water buigt de pols en wijzen de vingers naar achteren. Als de elleboog maximaal gebogen is, wordt de hand (met de pols als voorste punt) naar voren gebracht. Als de arm gestrekt is, strekken ook de pols en vingers.

4. Beenslag
De beenslag is een schoolbeenslag.

5. Combinatie
1e beweging:

  • Ademarm start met de doorhaal, waterarm wordt naar voren gebracht (‘overhaal’), schoolbeenslag,
    Tijdens het sluiten van de benen en het afmaken van de doorhaal met de duwfase, draait het lichaam naar zijligging, waarbij ook het gezicht uit het water draait en schuin naar boven kijkt.

Uitdrijfmoment in schuine ligging.
2e beweging:

  • Ademarm door het water naar voren brengen, waterarm doorhalen.
    Kanteling naar borstligging, waarbij het gezicht weer in het water komt en het inzetten (en maken) van de schoolbeenslag.

Uitdrijfmoment in borstligging
Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.

6. Ademhaling
De ademhaling wordt net als bij de borstcrawl gekoppeld aan de armslag. De inademing vindt plaats aan het begin van het naar voren brengen van de ademarm. De uitademing vindt plaats tijdens de doorhaal (duwfase) van de ademarm.


Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • de armen dóór het water naar voren gebracht worden;
  • de schoolslag beenbeweging herkenbaar is;
  • tijdens elke armdoorhaal wordt een beenslag uitgevoerd;
  • de ademhaling zijwaarts is;
  • het hoofd in het water is;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een duidelijk uitdrijfmoment in zijligging(beide zijden) of in borst-en zjjligging wordt getoond.



ZEEMANSSLAG IN TWEETALLEN
Deze zeemansslag wordt uitgevoerd door twee leerlingen die tegelijkertijd zwemmen met het gezicht naar elkaar toe.

Het bewegingsverloop van de zeemansslag in tweetallen is gelijk aan de ‘gewone’ zeemansslag, echter omdat de leerlingen twee banen moeten zwemmen zal de zeemansslag op beide zijden, dus zowel op de linker- als op de rechterzij, gezwommen moeten worden.


Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • de ligging ‘half op de zij is’;
  • de zeemansslag gezwommen wordt op beide zijden;
  • de leerlingen met het gezicht naar elkaar toegekeerd zwemmen;
  • beide armen tegelijkertijd de armbeweging inzetten;
  • de armen elkaar tegen komen ter hoogte van de borst;
  • de voet en het onderbeen tijdens de beenbeweging niet boven het wateroppervlak uitkomen;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een duidelijk uitdrijfmoment in zijligging wordt getoond.



KORTE EENARMIGE ZIJSLAG
De beweging van de éénarmige zijslag bestaat uit een armbeweging, waarbij één arm (waterarm) gestrekt voor (in de zwemrichting) blijft liggen en één arm (ademarm) een borstcrawlarmbeweging maakt. De beenbeweging is een gewijzigde schoolslagbeenslag.

Gedurende de korte eenarmige zijslag blijft het lichaam in dezelfde zijligging.

1. Ligging
De ligging is ‘meer op de zij’ dan bij de zeemansslag. De borst maakt ten opzichte van het wateroppervlak een hoek van circa 60°.

2. Uitgangshouding
De onderste arm (de arm waarop de leerling ligt) is gestrekt voor en de bovenste arm is gestrekt achterwaarts, rustend op de dij. De benen en voeten gestrekt en gesloten achter. Het hoofd rust (met het oor) op de onderste arm en het gezicht kijkt schuin naar boven.

3. Armbeweging
De waterarm blijft tijdens het zwemmen van de zwemslag in dezelfde positie, namelijk gestrekt en wijzend in de zwemrichting.
De ademarm maakt ongeveer dezelfde beweging als bij de borstcrawl. De overhaal gebeurt ontspannen met gebogen arm, waarbij de bovenarm een maximale hoek van 45o met het wateroppervlak maakt. De inzet is op ¾ armlengte. Bij de doorhaal is de ademarm licht gebogen, waarbij de stuwbeweging, door de schuine ligging vlak langs de romp plaatsvindt.

4. Beenbeweging
De beenslag is qua techniek hetzelfde als bij de zijslag.

5. Combinatie:
1e beweging:

  • De waterarm blijft steeds gestrekt voor liggen. Ademarm overhalen, beenbeweging maken en even uitdrijven met twee armen voor. De beenslag begint iets later dan de ademarm, maar de beenslag is klaar op moment dat de hand van de ademarm wordt ingestoken.

2e beweging:

  • Doorhaal ademarm, de benen blijven gestrekt.

Uitdrijfmoment in schuine ligging.
Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.

Tijdens het zwemmen van de zwemslag rust het hoofd (met het
oor) op de onderste arm en het gezicht kijkt schuin naar boven.

6. Ademhaling
Het ademhalen is gelijk aan de zijslag.


Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • de ligging op de zij is, waarbij het lichaam ten opzichte van het wateroppervlak een hoek maakt die kleiner is dan 60°;
  • de waterarm gestrekt voor blijft liggen;
  • de ademarm niet door het water naar voren gebracht wordt;
  • de voet en het onderbeen tijdens de beenbeweging niet boven het wateroppervlak uitkomen;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een duidelijk uitdrijfmoment in zijligging wordt getoond.



SIDESTROKE
De beweging van de sidestroke bestaat uit een sidestroke armbeweging en de beenbeweging is een gesloten schaarbeenslag.

Gedurende de hele slag blijft het lichaam in dezelfde zijligging.
Lijkt op zeemanslag.

1. Ligging
De leerling zwemt gedurende de hele slag op de zij. De breedteas maakt een hoek van 90° met het wateroppervlak. Het gezicht is uit het water en kijkt naar het plafond.

2. Uitgangshouding
De waterarm ligt gestrekt voor, met de handpalm naar beneden gericht. De ademarm is gestrekt langs het lichaam, met de handpalm op het bovenbeen. De benen en voeten zijn gesloten en gestrekt in het verlengde van het lichaam.
Het hoofd rust op de waterarm en het gezicht kijkt naar het plafond.

3. Armbeweging
Tijdens de doorhaal van de waterarm wordt deze in de elleboog gebogen, tot een hoek van 90° op het moment dat de onderarm zich ter hoogte van de kin bevindt. Deze beweging lijkt op de trekfase van de borstcrawl. Daarna worden de onderarm en de hand gedraaid zodat de vingers in de zwemrichting wijzen en worden vervolgens naar voren gebracht.

De beweging van de ademarm lijkt op de beweging van de zeemansslag met het verschil dat de bovenarm nauwelijks van plaats verandert. De beweging zit voornamelijk in de onderarm en hand.


4. Beenbeweging
De beenslag is een gesloten schaarbeenslag, dat wil zeggen dat tijdens de contrabeweging de knieën en de voeten tegen elkaar aan blijven.
De beenbeweging start met het intrekken van de benen, waarbij de hielen naar de billen worden gebracht (knieën en voeten blijven tegen elkaar aan).
Het bovenste been beweegt zich evenwijdig aan het wateroppervlak, ten opzichte van het lichaam naar voren. Het achterste been beweegt op dezelfde manier naar achteren. De benen liggen gespreid met de knieën gebogen. De tenen van het bovenste been zijn opgetrokken en de voet van het onderste been is gestrekt.
De benen worden in het horizontale vlak gesloten.

5. Combinatie
1e beweging:

  • Waterarm doorhalen, ademarm naar voren brengen, benen buigen.

2e beweging:

  • De armen kruisen elkaar voor de borst en de benen spreiden zich.

3e beweging:

  • Tijdens het strekken van beide armen (waterarm strekt naar voren en ademarm strekt naar achteren) sluiten de benen zich.

Uitdrijfmoment in zijligging.
Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.

6. Ademhaling
Het inademen gebeurt tijdens de doorhaal van de waterarm (en het naar voren brengen van de bovenste arm). Het uitademen gebeurt tijdens het strekken van de armen (en het sluiten van de benen).

Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • de ligging geheel op de zij is;
  • beide armen tegelijkertijd de armbeweging inzetten;
  • de beweging van de ademarm voornamelijk gemaakt wordt door de onderarm en hand;
  • de armen elkaar tegen komen ter hoogte van de borst;
  • de gesloten schaarslagbeenbeweging herkenbaar is;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een duidelijk uitdrijfmoment in zijligging wordt getoond.



ENGELSE SLAG
De beweging van de Engelse slag bestaat uit een armbeweging van de samengestelde rugslag, waarbij beide armen dóór het water naar voren worden gebracht. De beenbeweging is de beenslag van de enkelvoudige rugslag.

Gedurende de hele slag blijft het lichaam in dezelfde rugligging.
Lijkt op enkelvoudige rugslag.

1. Ligging
Rugligging.

2. Uitgangshouding
Beide armen zijn gestrekt naast het lichaam. De benen en voeten zijn gestrekt en gesloten.

3. Armbeweging
De armbeweging is een symmetrische armbeweging, waarbij beide armen tegelijk dezelfde beweging maken. De doorhaal van de beide armen gebeurt onder water in het horizontale vlak. De doorhaal gebeurt met gestrekte armen. Bij het naar voren brengen van de armen(‘overhaal’), worden de ellebogen gebogen en de handen langs het lichaam in de richting van het hoofd gebracht totdat de armen helemaal gestrekt zijn.

4. Beenbeweging
De beenslag is gelijk aan die van de enkelvoudige rugslag.

5. Combinatie
1e beweging:

  • Doorhalen van de armen. De benen blijven tijdens de ‘doorhaal’ gestrekt en gesloten aan het oppervlak liggen.

Uitdrijfmoment in rugligging met armen langs het lichaam.
2e beweging:

  • De stuwbeweging van de benen valt samen met de ‘overhaal’ van beide armen.
    Let op: de ‘overhaal’ van de armen begint dus na de contrafase van de beenslag.

Uitdrijfmoment in rugligging met armen voor het lichaam.
Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.

6. Ademhaling
Inademen gebeurt tijdens de ‘overhaal’ en uitademen tijdens het doorhalen van de armen.

Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • beide armen tegelijkertijd symmetrisch de armbeweging uitvoeren;
  • de armdoorhaal én het naar voren brengen van de armen plaatsvindt in het horizontale vlak;
  • de beenbeweging van de enkelvoudige rugslag herkenbaar is;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • twee uitdrijfmomenten getoond worden; één met de armen gestrekt in het verlengde van het lichaam en één met de armen naast het lichaam.



SPAANSE RUGSLAG
De beweging van de Spaanse rugslag bestaat uit rugcrawlarmen en rugslagbenen, waarbij aan het einde van elke armcyclus een beenslag wordt uitgevoerd.

Gedurende de hele slag blijft het lichaam in dezelfde rugligging.
Lijkt op Spaanse slag in rugligging.

1. Ligging
Rugligging.

2. Uitgangshouding
Een arm gestrekt naast het lichaam en de andere gestrekt langs het hoofd en wijst in de zwemrichting. De benen en voeten zijn gestrekt en gesloten.

3. Armbeweging
De armbeweging is gelijk aan die van de rugcrawl.

4. Beenbeweging
De beenslag is gelijk aan die van de enkelvoudige rugslag.

5. Combinatie
1e beweging:

  • De arm, die in de zwemrichting wijst, start met de doorhaal. De andere arm (langs het lichaam) met de overhaal. De benen blijven gesloten.
    Let op: de beenslag moet eerder dan of tegelijkertijd klaar zijn met de armslag, niet later.

2e beweging:

  • Een nieuwe doorhaal (linkerarm) en overhaal (rechterarm) wordt gestart. ***Aan het einde van de doorhaal (linkererarm), tijdens de duwfase, volgt de beenslag.
    Let op: de beenslag moet eerder dan of tegelijkertijd klaar zijn met de armslag, niet later.

Uitdrijfmoment in rugligging.
Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.

6. Ademhaling
De ademhaling is gelijk aan die van de rugcrawl.


Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • de armdoorhaal plaatsvindt in het horizontale vlak en de overhaal in het verticale vlak;
  • de armen elkaar niet inhalen;
  • tijdens elke armcyclus één beenslag wordt uitgevoerd;
  • de beenbeweging van de enkelvoudige rugslag herkenbaar is;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een duidelijk uitdrijfmoment in rugligging wordt getoond.



HONGAARSE SLAG
De beweging van de Hongaarse slag bestaat uit borstcrawlarmen en schoolslagbenen, waarbij na enkele armslagen, één schoolslagbeenslag volgt.

Lijkt op borstcrawl.

1. Ligging
De ligging is gelijk aan die van de borstcrawl .

2. Uitgangshouding
Gestrekte borstligging, met het gezicht in het water.

3. Armbeweging
Het is een asymmetrische armbeweging, die sterk lijkt op die van de borstcrawl en waarbij verder de techniek van die slag wordt gevolgd.

4. Beenslag
Na enkele borstcrawlarmslagen wordt er afgewisseld met één forse schoolbeenslag, waarna er direct wordt uitgedreven in zijligging (40 o ) . Bij het uitvoeren van de borstcrawlarmslagen liggen de benen stil.

5. Combinatie, enkele armslagen en één schoolbeenslag
1e beweging:

  • Ademarm doorhalen, waterarm overhalen, benen stil.

2e beweging:

  • Ademarm overhalen, waterarm doorhalen, benen stil.

3e beweging:

  • Ademarm doorhalen, waterarm overhalen, benen stil.

4e beweging:

  • Ademarm overhalen, waterarm doorhalen en inzetten van de beenbeweging. De stuwbeweging van de benen valt samen met het insteken van de vingers (ademarm). Uitdrijfmoment in borstligging is de uitgangshouding voor de eerste beweging.


5. Ademhaling
De ademhaling gebeurt in het ritme van de slag. Inademen tijdens het naar voren brengen van de ademarm. Uitademen tijdens de duwfase van de ademarm.

Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • de armen tijdens de overhaal niet door het water naar voren gebracht worden;
  • de benen gestrekt stil blijven liggen bij de armbeweging;
  • na enkele armslagen wordt afgewisseld met één schoolbeenslag en een uitdrijfmoment;
  • de ademhaling zijwaarts is;
  • het hoofd in het water is;
  • het bewegingsverloop ritmisch is.



JAPANSE MOROTE SLAG
De beweging van deze Japanse Morote noshi zwemslag bestaat uit de noshi-armslag en de noshi-beenslag.

Gedurende de hele slag blijft het lichaam in dezelfde zijligging.

1. Ligging
Het lichaam ligt op de zij, waarbij de borst een hoek van 90o maakt met het wateroppervlak. Het gezicht is uit het water en kijkt schuin naar boven.

2. Uitgangshouding
Beide armen zijn gestrekt langs het lichaam, waarbij de duimen het dijbeen aanraken. De benen en voeten gestrekt in het verlengde van het lichaam.

3. Armbeweging
Het is een symmetrische armbeweging, waarbij beide handen voor het lichaam langs naar voren in de zwemrichting worden gebracht.

Vanuit de uitgangshouding worden beide handen naar elkaar toegebracht zodat de duimen elkaar aanraken. Ongeveer op borsthoogte strekken de polsen en vingers zich (de vingers wijzen nu in de zwemrichting). Door het strekken van de armen (in het elleboog- en schoudergewricht) bewegen de vingers (en de armen) zich schuin naar voren (in de zwemrichting). Als de armen gestrekt zijn liggen ze niet in het verlengde van het lichaam maar maken een hoek van 45° t.o.v. de lichaamsas als men het van bovenaf bekijkt.

Hierna worden beide armen tegelijkertijd in het horizontale vlak met gestrekte armen doorgehaald, waarbij de handen aan het einde van de duwfase uiteen gaan.

4. Beenslag
De beenslag is een Japanse schaarbeenslag, waarbij het bovenste been in eerste instantie meer buigt als het onderste.
Beide benen zijn gestrekt. De voet van het bovenste been schuift over het onderste been (dit kan alleen als de knie van het bovenste been buigt). Als de voet halverwege het onderbeen is van het onderste been dan buigt ook de knie van het onderste been waarbij de voet van het onderste been richting de billen bewegen. Tegelijkertijd buigt de heup van het bovenste been. Hierna strekt het bovenste been zich en daarna sluiten de benen in het horizontale vlak.

5. Combinatie
1e beweging:

  • Beide handen worden met gestrekte armen naar elkaar toegebracht zodat de duimen van beide handen elkaar aanraken.

2e beweging:

  • Beide armen buigen en de handen (met de duimen tegen elkaar aan) worden voor het lichaam langs naar voren in de zwemrichting gebracht.
    Tegelijkertijd buigt de luchtknie en schuift de luchtvoet langs het wateronderbeen naar voren.

3e beweging:

  • Zodra de luchtvoet halverwege het wateronderbeen is, buigt de waterknie, waarbij de watervoet naar de billen wordt gebracht. Tegelijkertijd wordt het adembeen gestrekt.

4e beweging:

  • Zodra het adembeen gestrekt is en het waterbeen zoveel mogelijk gebogen, worden beide voeten naar elkaar toegebracht (sluiten van de benen).

5e beweging:

  • Nadat de benen gesloten zijn volgt direct het gelijktijdig doorhalen van beide armen in het horizontale vlak.

6e beweging:

  • Aan het einde van de duwfase gaan beide handen uit elkaar en worden de handen (en armen) langs het lichaam gebracht.

Uitdrijfmoment
Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.


6. Ademhaling
Het inademen gebeurt tijdens het naar voren (in de zwemrichting) brengen van de handen. Het uitademen vindt plaats tijdens het doorhalen van de armen.


Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • beide armen tegelijkertijd symmetrisch de armbeweging uitvoeren;
  • de benen gesloten blijven tijdens de doorhaal van de armen;
  • de noshi beenslag herkenbaar is;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een duidelijk uitdrijfmoment in zijligging wordt getoond.



JAPANSE HITOE SLAG
De beweging van de Japanse Hitoe-slag bestaat uit een Japanse Hitoe-slag armbeweging en de beenbeweging is een Japanse schaarbeenslag.

Gedurende de hele slag blijft het lichaam in dezelfde ligging.

1. Ligging
Het lichaam ligt op de zij, waarbij de borst een hoek van 90o maakt met het wateroppervlak. Het gezicht is uit het water en kijkt schuin naar boven.

2. Uitgangshouding
Beide armen zijn gestrekt langs het lichaam gehouden, waarbij de duimen het dijbeen aanraken. De benen en voeten gestrekt.

3. Armbeweging
Het is een asymmetrische armbeweging, waarbij beide handen voor het lichaam langs naar voren in de zwemrichting worden gebracht.

Vanuit de uitgangshouding worden beide handen naar elkaar toegebracht zodat de duimen elkaar aanraken.
Ter hoogte van de schouders stopt de ademarm met de beweging in de zwemrichting. De vingers en pols worden gestrekt en de ademarm maakt een duwbeweging. (Het bewegingsverloop van de ademarm lijkt op het bewegingsverloop van de ademarm tijdens de sidestroke.

De waterarm vervolgt zijn beweging in de zwemrichting als de ademarm de duwbeweging maakt. Ter hoogte van de schouder strekken de pols en vingers zich zodat hand palm naar de bodem wijst. Zodra de waterarm gestrekt voor (in de zwemrichting) is, wordt deze in het verticale vlak doorgehaald.

4. Beenslag
De beenslag is een Japanse schaarbeenslag, waarbij het bovenste been in eerste instantie meer buigt als het onderste.
Beide benen zijn gestrekt. De voet van het bovenste been schuift over het onderste been (dit kan alleen als de knie van het bovenste been buigt). Als de voet halverwege het onderbeen is van het onderste been dan buigt ook de knie van het onderste been waarbij de voet van het onderste been naar de billen wordt gebracht. Tegelijkertijd buigt de heup van het bovenste been. Hierna strekt het bovenste been zich en daarna sluiten de benen in het horizontale vlak.

5. Combinatie
1e beweging:

  • Beide handen worden met gestrekte armen naar elkaar toegebracht zodat de duimen van beide handen elkaar aanraken.

2e beweging:

  • Beide armen buigen en de handen (met de duimen tegen elkaar aan) worden voor het lichaam langs naar voren in de zwemrichting gebracht. De ademarm stopt met de beweging ter hoogte van de schouders. Tegelijkertijd buigt de luchtknie en schuift de luchtvoet langs het wateronderbeen naar voren.

3e beweging:

  • Zodra de luchtvoet halverwege het wateronderbeen is, buigt de waterknie, waarbij de watervoet naar de billen wordt gebracht.
    Tegelijkertijd wordt het adembeen gestrekt.

4e beweging:

  • Zodra het adembeen gestrekt is en het waterbeen zoveel mogelijk gebogen, worden beide voeten naar elkaar toegebracht (sluiten van de benen). Het sluiten van de benen valt samen met de duwfase van de ademarm.

5e beweging:

  • Nadat de benen gesloten zijn volgt de doorhaal van de waterarm in het verticale vlak.

Uitdrijfmoment
Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.

6. Ademhaling
Het inademen gebeurt tijdens het naar voren (in de zwemrichting) brengen van de handen. Het uitademen vindt plaats tijdens het doorhalen van de armen.

Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • de armbeweging tot aan de schouders symmetrisch verloopt;
  • de armbeweging na de schouders asymmetrisch verloopt;
  • de Japanse schaarbeenslag herkenbaar is;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een duidelijk uitdrijfmoment in zijligging wordt getoond.



RUGTRUDGEON
De beweging van de rugtrudgeon bestaat uit rugcrawlarmen en een schaarbeenslag, waarbij tijdens elke bewegingscyclus van de armen een beenslag wordt uitgevoerd.

De zwemwijze van de slag is een tussenvorm omdat de ligging geen zuivere borst-, rug-, of zijligging is. De ligging bij een tussenvorm wisselt voortdurend.

1. Ligging
De ligging is nagenoeg geheel een rugligging, waarbij het lichaam voortdurend draait op één zij en weer terug. Deze draaibeweging van het bovenlichaam is 60°-90°. Draaiing van het onderlichaam is 90°. Het hoofd draait niet.

2. Uitgangshouding
Een arm gestrekt naast het lichaam en de andere gestrekt langs het hoofd en wijst in de zwemrichting. De benen en voeten zijn gestrekt en gesloten.

3. Armbeweging
De armbeweging is gelijk aan die van de rugcrawl, maar door de draaiing naar zijligging zal de doorhaal van één arm dieper (meer richting bodem) zijn.

4. Beenbeweging
De beenslag is een schaarbeenslag, waarbij vanuit gestrekte uitgangshouding het bovenste been naar voren beweegt en het onderste been naar achteren. De voet van het onderste been beweegt richting de billen. De stuwvlakken van het bovenste been zijn de achtkant van het been en de voetzool. De stuwvlakken van het onderste been zijn de voorkant van het onderbeen, de wreef en een klein beetje de voorkant van het dijbeen.

5. Combinatie:
1e beweging:

  • Een arm (linkerarm) start met de doorhaal de andere arm (rechterarm) met de overhaal. Benen stil.
    Tijdens de insteek van de rechterarm draait het lichaam op de rechterzij.
    Het hoofd blijft boven water en kijkt naar het plafond.

2e beweging:

  • Nieuwe doorhaal (rechterarm) en overhaal (linkerarm). Tegelijkertijd wordt de schaarbeenslag ingezet, waarbij van het bovenste been (linkerbeen) de knie en heup buigen en van het onderste been (rechterbeen) de (rechter)voet naar de billen wordt gebracht.
    De duwfase van de (rechter) armdoorhaal valt samen met het sluiten van de benen.

Uitdrijfmoment
Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.

6. Ademhaling
De ademhaling is gelijk aan die van de rugcrawl.

Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • de armdoorhaal plaatsvindt in het horizontale vlak en de overhaal in het verticale vlak;
  • de armen elkaar niet inhalen;
  • tijdens elke bewegingscyclus van de armen één wijde schaarbeenslag;
  • de wijde schaarbeenslag herkenbaar is;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een duidelijk uitdrijfmoment in rugligging wordt getoond.



DUITSE CRAWL
De beweging van de Duitse crawl bestaat uit borstcrawlarmen en borstcrawlbenen, waarbij de armslag ‘arm voor arm’ wordt gezwommen en armen achter op elkaar wachten.

Lijkt op borstcrawl.

1. Ligging
De ligging is gelijk aan de ligging bij de borstcrawl .

2. Uitgangshouding
Gestrekt in een zo horizontaal mogelijke borstligging net onder de waterlijn. Het hoofd in het verlengde van het lichaam en tot de haargrens met het gezicht in het water. Beide armen zijn gestrekt, liggen langs het lichaam en wijzen naar achteren.

3. Armbeweging
Het is een asymmetrische armbeweging, die sterk lijkt op de borstcrawl armbeweging. Met het verschil dat vanuit de uitgangshouding één arm over het water naar voren wordt gebracht en door het water weer wordt teruggebracht in de uitgangshouding. De andere arm doet niets en ligt naast het lichaam. Op het moment dat één arm de bewegingscyclus voltooid heeft, start de andere arm met de bewegingscyclus.
‘De borstcrawl armslag wordt ‘arm voor arm’ gezwommen’.

4. Beenslag
De beenslag is een borstcrawlbeenslag, die zich niet aanpast aan het ritme van de armen.

5. Combinatie
1e beweging:

  • Een arm (bijv. linkerarm) start met de over- en doorhaal. De andere arm (bij. rechterarm) blijft gestrekt langs het lichaam liggen.

2e beweging:

  • Pas als de hand van de ‘bewegende’ arm (linkerarm) weer gestrekt naast het lichaam ligt start de over- en doorhaal van de ‘stilgehouden’ arm (rechterarm).

Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.

6. Ademhaling
De inademing vindt plaats tijdens de steunfase van de waterarm. De uitademing vindt plaats tijdens de doorhaal van de ademarm. In de praktijk betekent dit bij links ademha¬len: hoofd naar links draaien als de rechterarm (waterarm) in de steunfase en de linkerarm (ademarm) bij de heup is. Bij het inademen blijft een deel van het hoofd in het water om de boeggolf in stand te houden.

Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • de armen tijdens de overhaal over het water naar voren worden gebracht;
  • de wisselend op- en neerwaartse beenbeweging herkenbaar is;
  • de ademhaling zijwaarts is;
  • het hoofd in het water is;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een ‘rustmoment’ in de armbeweging wordt getoond.



HELIKOPTERSLAG
De beweging van de helikopterslag bestaat uit een helikopterslag armbeweging en een schaarbeenslag, waarbij tijdens elke doorhaal van de armen een schaarbeenslag wordt uitgevoerd.

Lijkt op rugtrudgeon.
De zwemwijze van de slag is een tussenvorm omdat de ligging geen zuivere borst-, rug-, of zijligging is. De ligging bij een tussenvorm wisselt voortdurend.

1. Ligging
De ligging is nagenoeg geheel een rugligging, waarbij het lichaam voortdurend draait op één zij en weer terug. Deze draaibeweging van het bovenlichaam is 60°-90°. Draaiing van het onderlichaam is 90°. Het hoofd draait niet.

2. Uitgangshouding
Beide armen zijn gestrekt naast het lichaam met de handpalm naar de bodem wijzend. De benen en voeten zijn gestrekt en gesloten.

3. Armbeweging
Vanuit de uitgangshouding schuift één arm met de duim langs het lichaam naar voren, hierdoor buigen de elleboog en de pols. Ter hoogte van de schouder strekt eerst de pols en daarna de vingers zich (handpalm wijst naar het plafond), vervolgens strekken de elleboog en de schouder zich. Tijdens het strekken van de arm draait de pols een halve slag, waardoor de duim naar het plafond wijst, als de arm in gestrekte positie voor het hoofd is.

De andere arm schuift vanuit de uitgangshouding met de duim over het lichaam naar de tegenoverliggende schouder. De beweging stopt als de vingertoppen ter hoogte van de schouder zijn. De pink wijst naar het plafond.

Vanuit boven genoemde posities maken beide armen tegelijkertijd een doorhaal. De gestrekte arm maakt een doorhaal die lijkt op een rugcrawl doorhaal. De gebogen arm maakt een doorhaal met alleen de onderarm.

4. Beenbeweging
De beenslag is een schaarbeenslag, waarbij vanuit gestrekte uitgangshouding het bovenste been naar voren beweegt en het onderste been naar achteren. De voet van het onderste been beweegt richting de billen. De stuwvlakken van het bovenste been zijn de achtkant van het been en de voetzool. De stuwvlakken van het onderste been zijn de voorkant van het onderbeen, de wreef en een klein beetje de voorkant van het dijbeen.

5. Combinatie
In het kort:

  • Na elke doorhaal van de armen volgt een volledige schaarbeweging. Telkens na het draaien wordt dan weer teruggekanteld.

  • 6. Ademhaling

De ademhaling is gelijk aan die van de rugcrawl.

Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • beide armen afwisselend een hele en een ‘halve’ (tot de schouder) armbeweging maken;
  • de draaibeweging naar zijligging en weer terug naar rugligging getoond wordt;
  • de schaarbeenslag beweging herkenbaar is;
  • tijdens de doorhaal van de armen wordt er een schaarbeenslag uitgevoerd;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • een duidelijk uitdrijfmoment in rugligging wordt getoond.



THRUST
De beweging van de thrust bestaat uit borstcrawlarmen en gewijzigde schoolbeenslagen, waarbij beide armen, afwisselend een halve én een hele doorhaal maken.

Lijkt op Spaanse slag.
De zwemwijze van de slag is een tussenvorm omdat de ligging geen zuivere borst-, rug-, of zijligging is. De ligging bij een tussenvorm wisselt voortdurend.

1. Ligging
De ligging is nagenoeg geheel een borstligging, waarbij het lichaam een draaibeweging maakt van borst naar zijligging, waarbij linker- en rechterzijligging worden afgewisseld. Deze draaibeweging is ongeveer 20o tot maximaal 45o en nodig om te ademen.

2. Uitgangshouding
Gestrekte borstligging met het gezicht in het water. Beide armen gestrekt in de zwemrichting. Benen en voeten gestrekt.

3. Armbeweging
Het is een asymmetrische armbeweging, die sterk lijkt op de borstcrawl armbeweging.

Vanuit de uitgangspositie start één arm (bijv. linkerarm) met de doorhaal. De andere arm (bijv. rechterarm) blijft gestrekt voor liggen. De linkerarm maakt een overhaal. De rechterarm maakt een doorhaal tot schouderhoogte en vervolgens strekt de arm zich weer naar voren in de zwemrichting. Beide armen zijn tegelijkertijd gestrekt voor.

Hierna wordt dezelfde bewegingscyclus herhaald met het verschil dat nu de rechterarm start met de doorhaal en de linkerarm stil voor blijft liggen.

4.Beenslag
De beenslag is een schoolbeenslag.

5. Combinatie
1e beweging:

  • Doorhaal van één arm (bijv. linkerarm), andere arm (bijv. rechterarm) blijft gestrekt voor liggen. Het lichaam draait naar zijligging (rechterzij). Benen stil.

2e beweging:

  • Overhaal linkerarm, doorhalen en strekken rechterarm. Beenbeweging.

Uitdrijfmoment in borstligging.
Vervolgens dezelfde bewegingscyclus alleen is de draaiing nu de andere
kant op.
3e beweging:

  • Doorhaal van één arm (rechterarm), andere arm (linkerarm) blijft gestrekt voor liggen. Het lichaam draait naar zijligging (linkerzij). Benen stil.

4e beweging:

  • Overhaal rechterarm, doorhalen en strekken linkerarm. Beenbeweging.

Uitdrijfmoment in borstligging.
Weer terug bij uitgangshouding voor 1e beweging.

6. Ademhaling
De ademhaling gebeurt in het ritme van de slag. Inademen tijdens de overhaal van de (linker)rechterarm. Uitademen tijdens het gelijktijdig strekken van de beide armen naar voren.

Essentie is 'het ononderbroken afleggen van de afstand met een technisch goede uitvoering', waarbij:

  • beide armen, afwisselend een halve doorhaal en een hele doorhaal maken;
  • de schoolslag beenbeweging herkenbaar is;
  • tijdens de totale bewegingscyclus van de armen worden er twee beenslagen uitgevoerd;
  • de ademhaling twee keer zijwaarts is (links en rechts);
  • het hoofd in het water is;
  • het bewegingsverloop ritmisch is;
  • er duidelijke uitdrijfmomenten worden getoond.



PDF Afdrukken